Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarbij van onderen iets dikker dan van boven en in doorsnede nooit kleiner dan een gulden. Van boven dient de plaats van veredeling goed vergroeid te zijn, terwijl de schors geen doode plekjes mag vertoonen. Het kroontje moet nog jong zijn, liever met drie of vier krachtige eenjarige twijgen dan met een warnest van knoestige takken en geheel gevuld. Mocht men toch zoo één ontvangen, dan wordt al het fijne hout er uitgesneden, totdat men ten slotte alleen drie of vier van de krachtigste loten overhoudt, die zoo geplaatst moeten zijn, dat men er een mooie, ronde kroon van verwachten kan.

Het planten. Onmiddellijk na ontvangst dient tot de planting overgegaan te worden. Mocht het vorstig weer zijn, zoodat de grond hard bevroren is, dan moet men hiermee wachten, tot de dooi invalt. Intusschen worden de boomen ingepakt gelaten en binnenshuis vorstvrij bewaard, om bij het invallen van den dooi onmiddellijk uitgepakt en in den tuin tijdelijk ingekuild te worden. Vóór de planting wordt de grond een paar meter in het vierkant en minstens twee steek diep omgespit en al naar de vruchtbaarheid er van met minder of meer goed verteerde compost of koemest vermengd. Een paal wordt naast de toekomstige standplaats in den grond geslagen. Ze wordt aan het ondereinde gebrand, om het verrotten zoo lang mogelijk te keeren en op zulk een hoogte genomen, dat ze een handbreed onder de onderste kroontakken blijft. Het plantgat dient wijd en diep genoeg te zijn, om alle wortels te kunnen bergen. Nadat deze met een scherp mes van de gekwetste deelen ontdaan en zoo mogelijk eerst in een dikke brij van koemest en klei gedoopt zijn, kan er met het planten begonnen worden. Hierbij dient men er niet alleen voor te zorgen, dat de stam recht komt te staan, maar ook, dat men hem niet dieper plant dan hij in de kweekerij stond. Omdat de pas gespitte grond altijd nog iets zakt en de boom meezakt, dient men hem zelfs schijnbaar iets te hoog te planten. Het kleine heuveltje zal gauw genoeg verdwenen zijn. Na de planting worden de drie of vier kroontakken tot op de helft ingekort, bij de pruimen zelfs korter nog. Het bovenste oog moet altijd naar buiten wijzen. Zoodoende kan men reeds het eerste jaar een aardig kroontje verwachten.

Teneinde een te dichte planting te voorkomen — en zoo menigeen is reeds voor die verleiding bezweken — zij er hier nogmaals aan

Sluiten