Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de gomziekte zijn. Omdat het niet zelden gebeurt, dat de eene of andere tak door deze ziekte aangetast wordt en sterft doet men het beste, den perzik uitsluitend in den waaiervorm aan te kweeken. Maakt men er een regelmatigen vorm van, zooals een Uvorm, een candelabre-palmet of een palmet, dan gaat met het wegvallen van een tak tevens de symmetrie van den ganschen boom verloren. Maar dat is bij den waaier niet het geval. Als daar een tak wegvalt, dan kunnen de overblijvende meestal nog zoo verschikt worden, dat de vrij gekomen ruimte weer aangevuld wordt. Een waaier is evenwel moeilijk te kweeken. Meestal blijven de onderste takken te zwak, terwijl de bovenste te krachtig worden. Om dat te voorkomen, moeten de beide vleugels flink breed uitgelegd worden, voordat men met het hart van den boom begint. Als men daar streng de hand aan houdt, dan zal men zeker slagen. Want aan groeikracht ontbreekt het in den regel niet. Wat nu de beide vleugels betreft, die kan men zich, althans bij jonge boomen laten verlengen, zooveel ze maar willen. Doch in het midden moeten de gesteltakken eer kort blijven dan hoog worden. Door een geregeld aanbinden en innijpen gedurende de zomermaanden kan in dit opzicht veel gedaan worden. Bovendien wordt daardoor tevens de vruchtbaarheid verhoogd. Want zoowel de perzik als de abrikoos geeft op die manier een groote hoeveelheid jonge scheutjes, die alle, voor zooverre ze geen gesteltakken behoeven te worden, op eene lengte van 25 a 30 c.M. worden ingenepen. Om ze aan te binden, doet men het beste, achter de boomen wijdmazig ijzergaas te spannen, dat van afstand tot afstand op tamelijk hooge latten vastgespijkerd wordt. Zoo blijft er tusschen het gaas en den muur nog een vrije ruimte van 5 a 8 c.M. over, die voldoende is voor de luchtcirculatie en eene directe aanraking met den muur voorkomen zal. Voor de vorming van nieuwe gesteltakken gebruikt men bij voorkeur de zware houtloten, die altijd in genoegzamen getale op den rug der oudere gesteltakken verschijnen. Men behoeft zich nooit ongerust te maken, dat men van deze te kort zal komen. In den regel verschijnen er zelfs heel wat meer dan men begeert. Zij onderscheiden zich door hun krachtigen groei, hun te vroege scheuten en hun zwaren voet. Alle, die me.n niet noodig heeft, om ergens een groot gat te vullen, worden glad weggesneden. Vrucht zullen ze het volgend jaar toch niet geven. De blijvende worden

Sluiten