Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart goed. Op de bestuurstafel, die verheven was boven de andere tafels, stonden een paar witte vazen met keurige planten. De banken daarachter waren door eenige planten en heesters gemaskeerd, terwijl het statige orgel, als een kroon, het geheel dekte, en met het zilver blanke front op gansch de vergadering neerzag, en van tijd tot tijd zijn stem deed hooren, om de harten te verheffen tot lof en dank aan den Gever van al dit goede.

Of dan nu het //mooi" van de kerk af is, vraagt ge ? Dat juist niet, mijn vriend ; maar geleden heeft ze wel. Er moest gebroken en getimmerd worden, banken weggeruimd en zoo 't een en ander gedaan, wat men gewoonlijk niet doet als men pas geschilderd heeft. En dan zoo'n veertig rookende, ja dampende broeders, om van de hospitanten, wien het rooken verboden werd, niet eens te spreken ! O, 't was er somtijds zoo benauwd. Wanneer zullen we toch eens het rooken in onze publieke vergaderingen nalaten? Ik weet wel, 't is zoo lekker, 't kan zoo opwekken, 't is zoo huiselijk, zoo broederlijk, zoo echt oud Hollandsch; maar toch, het staat zoo leelijk in eene achtbare vergadering. Als ik een broeder, soms een van jeugdigen leeftijd, (ouden mannen vergeef ik veel) daar zie staan met een lange pijp, of een voormalige lange, in den mond: //mijnheer de president! phoe, phoe, phoe, ik inoet mij, phoe, daartegen verklaren, phoe, het raakt een beginsel, kuch, kuch, plioe, phoe, en daarom stel ik voor, phoe, phoe, phoe, phoedan zeg ik in mij zeiven : foei, foei, en gevoel ik mij bekropen door den lust, om dien broeder toe te roepen : leg dan ten minste uw pijp neer, zoolang gij spreekt!

Doch ik zal hier niet verder over uitweiden. Ik vrees zelfs, dat ik alweer te veel gezegd heb, en ge de volgende week een artikeltje zult zien, om mij te bestrallen of terecht te wijzen. Maar dat ik deze dingen bij hun naam noem geschiedt uit vrees voor de reactie, die te zijner tijd komen zal. Nu hoorde ik al van iemand, dat een predikant met een glas wijn voor zich een gruwel is in zijn oog. Straks beleven we het nog, dat een rookende predikant een monster gescholden wordt (want ook in de dwaasheid en de manie is logika) en dat zou mij spijten, want ik rook gaarne; maar het liefst en het aangenaamst op mijn kamer, of op de wandeling en op reis.

Sluiten