Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krijg ik een gevoel of ik braken moet. En dan kunnen wij die z. g. orthodoxe dominé's, en moderne godverlooclienaars en de Jesuïeten er bij nog mee aan den kost helpen, terwijl onze predikanten 't meeste werk doen en 't minste te eten krijgen. Staan er onder ons nog eens mannen op die den boel aandurven en de vrijheid op het gebied van Slaat, Kerk en School onverwijld handhaven willen, jij en anderen werken hen tegen, en heulen liever met de vijanden van onze kerk, je brengt de heeren van de groote kerk in de Kamer, en dan krijg je een pluimpje, dat je zoo je best gedaan hebt; maar zoodra ze je missen kunnen, laten ze je loopen, als een afgescheidene, weetje.

In dezen toon ging onze vriend, ik weet niet hoe lang voort. Aan stuiten van dien stroom viel niet te denken. Sommige menschen zijn als een vol vat. Haalt men den stop er uit, dan is er niets meer aan te doen. Zij moeten leegloopen. Ik wachtte het oogenblik, waarop het vat leeg zou zijn geduldig af.

Wat er verder tusschen ons voorviel, meld ik u een volgende maal.

28 Odober 1881.

Waarde Vriend !

Zoodra de gelegenheid gunstig was, viel ik in met een woord van lof over Amerika. Ik prees de vruchtbaarheid van het land, de geestkracht, de kunstvaardigheid op industrieel gebied, de ondernemingsgeest, den vrijheidszin zijner bewoners, en den eerbied die in het openbare leven aan den godsdienst nog te beurt valt. Maar zoodra had ik niet op eenige schaduwzijden gewezen, of Rombarius begon weer van voren af aan. Ik was kleingeestig, bekrompen, een mijmeraar, zonder moed, zonder daad; kortom in 't geheel geen man voor Amerika; een Hollander met een lange pijp en een kleine ziel, een altijddurende klager, maar zonder geestkracht om de dingen aan te pakken en te maken zoo ze wezen moesten.

Ga je spoedig heen? vroeg ik om van't gesprek af te komen. Maar ook dat hielp niet. Ik kreeg eene beschrijving van de booten en over het verschil tusschen de Amsterdamsche en

Sluiten