Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder ons gezegd, het wordt, hoe langer hoe meer, mijne overtuiging, dat er niets merkwaardigers op aarde bestaat dan : de mensch !

25 Januari 1884.

Waarde Vriend !

Menigmaal denk ik nog aan den tijd, toen we des Zondagsavonds de godsdienstige gezelschappen bezochten. We hoorden daar allerlei gemoedsgevallen bespreken en moesten, gelijk men het noemde, ons eigen hart op tafel leggen. Dat was een tijd van op- en neergaan, een soort van geestelijke beurs. Wat zonderlinge Schriftopvattingen leerden we kennen, en wat inwendige martelingen ondergingen we, door de vergelijking van eene bevinding met die van anderen, welke vergelijking niet zelden in ons nadeel uitviel. Wij hadden nooit moord en bedreiging geblazen tegen het volk Gods en waren niet op den weg van Damaskus staande gehouden. We waren nooit in comedie of danshuis geweest, en de liberale leer was ons even vreemd als de leer van Confusius. We lazen niets anders dan den Hijbei en de oude schrijvers, en de minste lust ot gedachte tegen eenig dogma der ouden kwam in ons hart nimmermeer op. Wat waren wij gesterkt, als de een of andere oude vrome een woord van bemoediging ons toesprak, en zeide, dat we maar aanhouden moesten, dat wie den Heere vroeg zoeken, Hem gewisselijk zullen vinden, en dat hetgeen wij bespraken, als jonge menschen, door de natuur niet geleerd werd, dat vleesch en bloed het niet openbaarde.

Wij leefden toen in wat ik gewoon ben het laatste tijdvak van den heldentijd der afscheiding te noemen, De gang van een schip, boerderij of werkbank naar een preekstoel was toen zeer kort. De predikanten konden 's Zondags driemaal en nog eenige keeren in de week preeken, zonder veel over vermoeienis te klagen, en stonden in kennis en beschaving niet veel hooger dan het volk voor hetwelk zij predikten. Dat maakte dat er tusschen den prediker en zijn gehoor, een gemakkelijk en ongedwongen verkeer onderhouden werd. En daar de preek-

Sluiten