Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Misbruik in Godes Kerk allengskens ingebracht,

Is hier weer uitgedaan in 'tj&ar zeventig en acht. (1578)

Of men echter ook in dien tijd reeds een plan van reformatie had, en zonder de hulp der Overheid en allerlei machtige wereldsche en libertijnsche invloeden, de Kerkgebouwen in welke gedoopt was zou hebben kunnen behouden; en of men zonder dat de correspondentie met andere Kerken had blijven onderhouden is mij natuurlijk niet bekend.

Het is in onze dagen hoogst gevaarlijk van geschiedenis te spreken. Dr. Schaeptnan zal niet toegeven dat de Roomschkatholieke Kerk ooit menschenbloed vergoten of aflaathandel gedreven heeft. Wie zoo iets beweert, tot hem wordt gezegd : Gij weet niets van de geschiedenis!

Nooit heb ik het materieele in de verwantschap tusschen het gereformeerde en katholieke kerkstelsels zoo diep gevoeld als onder het lezen van het Tractaat. Inderdaad, de uitersten raken elkander. Maar dat maakt ook dat een gevoel van dankbaarheid ons vervult, bij de gedachte aan de breuk met Rome. Daardoor heeft God ons gegeven de kennis van de waarachtige en volkomene leer der zaligheid, en eene kerkinrichting waaronder de Christelijke vrijheid niet geheel verstikt. Hoe ingewikkeld ons kerkstelsel ook zij, het jaagt naar het ideale, en dat ideaal gluurt door de kerkorde henen. Wij zijn geheel het tegenovergestelde van Rome en ons raakt ons uiterste ook in het formeele aan Rome's uiterste. Wij hebben geen Paus, maar een ouderlingschap. Geen heilige dagen ; maar mogen nu ter nauwernood op Vrijdag vóór Paschen eene kerkelijke samenkomst houden of Kerstfeest vieren. Van litanieën en koorzangen wilden we niets weten ; maar nu is het ook verboden van het volbrachte verlossingswerk met een evangelisch lied in de samenkomsten der gemeente te zingen. De roomsche plechtgewaden verwekken onzen afkeer; doch nu mogen de dienaren onder ons ook geen ander fatsoen van jas dragen dan de man, die de warme stoven in de Kerk brengt. Zoo zou ik kunnen voortgaan, en scherper worden dan een dienaar betaamt.

Gelukkig begin ik de beteekenis van het woord : dienaar, meer en meer te verstaan. Afgedacht van alle uitwendige omstandigheden is het toch een onuitsprekelijk groot en heerlijk voorrecht, dienaar des goddelijken Woords te mogen zijn ! Het

Sluiten