Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiding betreuren, zijn niet minder Gods kinderen en knechten dan wij het zijn, en hunne godsvrucht, hunne wetenschap, hunne toewijding aan wat zij gelooven, hunne belijdenis van Jezus Christus, mag wel in sommige opzichten tot jaloerschheid verwekken, en ons telkens aan het woord doen denken : Zijt niet hooggevoelende, maar vreest!

15 Augustus 1884.

Waarde Vriend !

Er is op 't oogenblik in Nederland eene mooie betrekking open. Voor een Christelijk-Humoristisch blaadje wordt gevraagd een Redacteur, die het zoo weet te redigeeren, dat het overal besproken wordt. Bij de tegenwoordige overbevolking en schaarschte van broodwinningen, is het te verwachten dat er zich velen voor dit redacteurschap zullen aanbieden.

Naast de godgeleerden zijn de humoristen toch het talrijkst onder de inenschen vertegenwoordigd. Godgeleerden zijn allen, humoristen zijn velen. Wie is op zijn beurt wel niet eens grappig; en wie grappig is, is immers humorist ?

In vroeger jaren hadden we een Hildebrand en een Jonathan. Beide leven nog, afgaande onder de mannen. Zij zijn bekend in de beschaafde kringen, onder de letterkundigen, in de predikanten en onderwijzerswereld ; doch de breede klasse van kleine burgers weet wel van eene dominé Beets en dominé Hazebroek, inaar van een Hildebrand en Jonathan heeft zij nooit gehoord.

Wij mogen daar echter nooit een verwijt van maken, want humor is geene volkszaak, maar alleen te genieten door eenigszins ontwikkelden van geest, en die er eene natuurlijke vatbaarheid of gevatheid voor hebben. En deze gave is niet aller, zoo min als de gave des geloofs.

Om vele inenschen aan 't lachen te maken moet de grap vooral niet fijn zijn. Er moet weinig gedachte in zitten, maar de uitdrukking, wil men, de dubbelzinnigheid, moet voor allen verstaanbaar wezen.

Aan een weinig echt humorisme hadden we anders wel behoefte. Het leven is zoo verschrikkelijk ernstig, dat de gulle

Sluiten