is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige brieven aan een vriend te Jeruzalem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lach steeds meer van onzen mond henen gaat. Wel zijn er nog humoristen, maar itf hun humor is zoo tranenwekkend, dat de humor geen humor meer is; öf hun ernst is zoo humoristisch, dat de ernst geen ernst meer is.

Als iemand een humoristische ader in zijn wezen heeft en daarbij een Christen hoopt te zijn, draagt hij een Ezau en een Jakob bij zich om, en zegt hij duizendmalen tot zich zeiven : ben ik dus, waarom ben ik zoo P De Jacob in hem vreest het woord : van ieder ijdel woord, dat de mensch gesproken zal hebben, zal hij rekenschap geven moeten ; ijdelheid en zot geklap betamen niet, maar veel meer dankzegging. En de Ezau roept hem onophoudelijk toe: zie nu eens hoe gek dit en dat is ; lach er om en laat anderen met u lachen !

Gij kent het Humoristisch Album niet waar ? Zou er in dezen trant iets Christelijks te schrijven zijn, dat overal besproken wordt ? Ook hebben we, in de latere jaren, gekregen een humoristisch weekblad, genaamd : Uilenspiegel. Dit blad behandelt meer de politiek en de kerkelijke godsdienstige aangelegenheden, en heeft somtijds eene plaat, die werkelijk geestig is en eene gedachte uitdrukt. Maar wat man leeft er, die week aan week een blad kan vullen, waarin lachend de waarheid gezegd wordt, zonder flauw en profaan te worden ?

Ik voor mij beklaag in mijn hart den man, die een Christelijk-Huinoristisch blaadje moet redigeeren, dat overal besproken wordt. Want waarlijk Christelijk te zijn is de ernstigste zaak van de wereld. Humor is iets bloot menschelijks, zuiver humoristisch, vaak met het Christelijke in strijd. Waarbij nog komt, dat als de humor fijn en echt is, de talrijkste klasse van menschen zulke boeken en bladen niet bespreekt; en zoo hij plat of profaan is, de vraag niet achter kan blijven: is dat nu Christelijk ? Daarenboven zijn er vele menschen die geen humor verdragen kunnen, maar dadelijk boos worden, zich beleedigd achten en, zoo zij Christenen zijn, den een of anderen Bijbeltekst bij de hand hebben, om den humorist het oordeel aan te zeggen. Ze zijn als de Piet Knorman, die bij ons op school ging, en altijd kwaad werd, als we hem eens in 't ootje namen, en dien wij daarom een flauwen vent noemden, die net was als de ossen en geen dollen kon velen. Er zijn karakters op welke de humor als venijn werkt. Er zijn die wat in scherts