Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met privilegie.

Ende sy songcn een nieuw liedt, enz.

Apoc. IV en V.

Comt, laat ons na Bethlehem, enz.

Luc. 11 : 15.

In 's-Gravenhaghe, Ry Hillebrant Jacobsz.

Drukker ordinaris van Ho. M. H. H. Staten Generaal. A°. 1615.

Op de keerzijde van het titelblad leest men :

Ephes. V. XVIII. XIX. XX.

Wordt vol des Geestes; sprekende tot malcanderen, met Psalmen, ende Lofsangen, ende Geestelycke Liedekens, singende en psalmende in uwe Herten. Alle tydt van alle dingen danckende Godt ende den Vader, in den naam onses Heeren Jesu Christi.

Apocal. XIX. I.

Ende na dezen hoorde ik een groote stemme eener groote scharen in den Hemel zeggen: Halleluia, de Zeligheyhdt, ende Lofl', ende Eere, ende Maght onses Heeren Godts.

Berxardus Epist. CCCXII.

Dat de Sangh in der Kercke sy vol deftigheyds, niet smakende na dertelheydt, ofl' oock eenige plompigheydt, maar soet en lieffelyck ; de Oire zoo vermake, dat hy oock met eenen de herten bewege, de Droeffheydt verlichte, den toorne verzachte : en den Letterlycken Sin niet wegh en neme, maar veel meer verstereke en verclare.

24 April 1885.

Waarde Vriend !

De opdracht van het Oudste Gezangboek der Nederlandsche Gereformeerde Kerk begint aldus :

De Kercken-Dienaren, Gedeputeerden Des Synodi van Utrecht,

Wenschen den Eer-waardigen, Geleerden, Godt-vruchtigen, Wyzen, Ende voorsienigen Kercken-Dienaren, Ouderlingen, Diakenen,

Sluiten