Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Hetkiten buigen dus beleefdelijk, en bieden hem het gevraagde aan als geschenk: „Hoor ons, mijn heer," zoo klinkt hoogst hoffelijk hun toespraak: „ Gij zijt een Vorst Gods in het midden van ons; begraaf Uwe doode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf van II weren, dat Gij Uwe doode niet zoudt begraven."

Meent Gij, dat de zaak nu geëindigd is? Zij is nog zelfs niet begonnen! De Sjakalsj >) of Achaiusj 2) of Sjardana 3) of Zakkur 4) mogen wellicht zoo overijld te werk gaan, of de wilden aan de verre zee 5), vanwaar men te Lachis barnsteen bekomt; maar een deftig Oosterling handelt zoo niet. Inderdaad, zij hebben geleerd Abraham en zijn Godsdienst te achten; en hun hoffelijkheid te hemwaart is meer dan enkel vorm en vleierij. Toch zou het hun moeite kosten, de korte dolken in de gordels te houden, indien hij koeltjes van dit beleefdheidsverlof gebruik maken zou.

Maar Abraham kent hen. En is bovendien zelf Oosterling. Nog zuiverder en natuurlijker Babylonisch beschaafd dan zij. Met een onverstoorbare rustigheid, alsof het gesprek anderen gold, heeft hij de laatste klanken \ an het antwoord laten wegsterven. Hij weet nu, dat de weg open is, om tot een inleiding voor zijn vraag te komen. Daarom verheft hij zich nu wederom en buigt zich voor de Hethiten. Daarna, met een gewild voorbijzien van Ephron opdat de vorm van het verzoek te beleefder zijn moge, richt hij tot de omgeving van Ephron het woord: „ Is het met Uwen wil, dat ik mijne doode begrave van voor mijn aangezicht, zoo hoort mij, en spreekt voor mij bij

1) Siciliërs.

2) Klein-Aziatische oude Grieken: Achajers.

3) Sardiniërs.

4) Cyprioten.

5) De Oostzee tusschen Zweden en Duitscliland.

Sluiten