Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abraham riep. Menschenoffers eischte hun afgodsdienst bij tijden; maar in plaats van het vroegere menschenoffer is het offeren van een ram ingesteld.

Van een ram. Want langzamerhand, met den langzamen gang van een goede tijding (die bij de gezwindheid van een kwaad nieuws steeds in snelheid zooverre ten achter is) was eindelijk zóóver de blijde tijding doorgedrongen, hoe ook verbasterd en verkleind, van wat bij Jerusalem was geopenbaard: Green menschenoffer meer op Jerusalems berg. Geen menschenoffer ergens kan de wil des Rechtvaardigen zijn; 't is Hem tegelijk te veel en te weinig. Geen menseh mag weggeworpen voor een loutei-zinnebeeldige handeling! Geen mensch heeft genoeg waarde om in werkelijkheid een schuldoffer te zijn. Uitrek L w hand niet uit, o Abraham, naar I'w zoon! Hij kan — en hij zal — het offer niet zijn!

Niet zonder groote oorzaak is op den heiligen tempelberg van Jerusalem, dien Jerusalems uitbreiding meer en "meer nadert, het dichte struikgewas nog gespaard. De houthakker wist het niet, de krijgsman vermoedde het niet, de landbouwer verzon het niet, de 1 riesterkoning beval het niet. Maar Eel Ngeljoon, de „Allerhoogste God", Wiens raadsbesluit ook het bestaan van Salems bosschen geregeld heelt, heeft het aldus gewild, omdat Hij Salem is, dat is: „Vredevorst '•

Dat houtgewas zal weldra verdwijnen. Wellicht in den snel naderkomenden tijd van de veroveringstochten dei Egyptenaren en van hun, houtverslindend, medebouwen aan Jerusalems vergrooting en versterking. Maar het moest tot dezen tijd gespaard. \V at zijn taak was ?

„Toen hief Abraham zijn oogen op, en ziet, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijne hoornen; en Abraham ging, en nam dien ram, en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats.

Sluiten