Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

machten van Hetliiten en Egyptenaren, voor Jerusalems rijk te wachten?

Op den Priesterlijken troon der Melcliizedeks zit ook bij het einde der 18'le dynastie van Egypte nog een Koning. Wat ook te denken zij van Mahetho's overoud verhaal, dat de Hyksos na hun verdrijving uit Egypte zich op Jerusalem zouden geworpen hebben, en dit zouden hebben versterkt tegen de „ Assyriërs" — gelijk hij Babyloniërs noemt, — die inderdaad voortdurend onrust stookten in het Egyptische Kanaan, en er telkens hun legers inzonden, — zooveel is zeker, dat Jerusalem niet zonder vele uitwendige en inwendige veranderingen de eeuwen heeft doorworsteld, die aan het Koningschap van Ebed-Tob vooratgaan. En dat Koningschap-zelf van dezen Ebed-Tob in de dagen van Amenophis Choe-n-Aten is slechts een schaduw van Melcliizedeks souvereiniteit. Hij legt wegen aan in de Jordaanvallei; maar hij rapporteert er over aan Eypte. Hij heeft onderhoorige steden, maar verzoekt — om ze in bedwang te houden — Egyptische garnizoenen. Hij is Koning over Salem, maar tevens Stadhouder van Egypte. Hij oefent wel allerlei regeeringsdaden, onderhandelt met allerlei lieden en volkeren, en acht zich heel wat voornamer dan eenig gewoon landvoogd. Maar hij wordt door anderen bij den Pharaoh verklaagd, en klaagt zelf over anderen aan den belieerscher van Egypte. en is even vol van betuigingen van onderdanigheid en getrouwheid als van verzoeken om geld en troepen. Hij acht het niet beneden zich, zijn brieven te beginnen met een: „Tot den Koning, mijnen heer, mijn Zonnegod, spreekt aldus Ebed-Tob, Uw knecht: Ik werp mij zevenmaal zevenmaal neder aan de voeten van den koning, mijnen heer". Zoo spraken de souvereine Vorsten der Hethiten waarlijk niet tot Egypte's Vorsten, zelfs al heetten zij soms nederlagen geleden te hebben.

Sluiten