Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En Joseph verklaart den zin van die tweemaal zeven koeien, die opkwamen uit den Nijl, den heiligen Hapi, en van die zeven aren door den uit het Zuidoosten waaienden Sjemem of Samoem verzengd, die de zeven vette aren verslonden in ontrustende overeenkomst met het voorafgegaan droomgezicht. Weldra sleept hem de verheven bezieling mede. Voor hem is de Pharao niet meer de veroveraar en bedwinger, die met minder dan een wenk hem kan storten in de meest troostelooze ellende en in het vreeselijkst verderf. En hijzelf is niet meer de slaaf en de gevangene, nóch zelfs de herdersvorstenzoon, wien hoogstens eerbiedig zwijgen zou betamen, nadat de gedane vraag was beantwoord in den engsten zin des woords, om af te wachten, wat hij, aan wiens opvolgers de Koningen van Jerusalem zouden schrijven dat zij zich „ zevenmaal, zevenmaal, aan zijn voeten nederbogen , voorts aan zijn slaaf mocht willen gelasten. Neen, hoe bescheiden-wellevend ook toon en inkleeding der rede mogen zijn (want waarachtige Godsvrucht siert zich steeds met deze sieraden), het is hier de man van hoogere wijsheid, de man op wien voor het oogenblik iets afstraalt van de majesteit van den God van Abram, zijn grooten voorvader, voor Wien eertijds een Pharao sidderend zich had gebogen; het is de Ziener, die spreekt; raadgevend aan Pharao Apepa niet als „Zoon der Zon", maar als verantwoordelijk dienaar Gods in zijn bewind over leven en dood van de beide Egypten, en indirect ditmaal bovendien van de volkeren rondom.

„ Zoo zie nu Pharao," zegt de Ziener, onder het schier ademloos stilzwijgen van den om velerlei oorzaak ontzetten hofstoet, tot den schranderen, ernstigen, krachtigen, eerbiedig en opmerkzaam toehoorenden Koning Apepa, „zoo zie nu Pharao naar eenen verstandigen en wijzen man, en zette hem over het land van Egypte."

Sluiten