is toegevoegd aan uw favorieten.

Gods kinderen van Ur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als „ beter afgekomen". Verder verstond ik liet niet. Maar laat ik niet vergeten, wat ik den zoon van Chilkijah zeggen wilde: Ziet Gij wel, dat Gij te somber hebt geoordeeld? Gij zeidet, dat de slaaf beschouwd werd niet als „iemand" maar slechts als „iets". Om het breken van een ding velt men toch geen doodvonnis over een Judaeër!

Indien Gijzelf dat niet beter gaat inzien, hoop ik het U weldra aan te toonen. Haar uit wat gij zooeven zeidet, vermoed ik, dat Uw buurman U wel beantwoorden zal. Wees ons gegroet, Sjimengoon, en wil ons zeggen: Wat spraakt Gij toch zooeven in Uw hart over „ beter afkomen dan deze Jehosjuang?

„ Ik dacht aan den broeder van Jehosjuang,' zegt Sjimengoon. „ Jochdai had twee zonen; en hij heeft hen even hard gemaakt, als hij zelf was. Het zal U dus wel niet zeer verbazen , dat ongeveer een jaar geleden Jehosjuang s broeder Sismaj voor dezelfde misdaad heeft terecht gestaan. Hij had een Koesjietischen slaaf doodgeslagen. Maar hij kwam er heel wat beter af. Hij wist, dat de wet bepaalt1): „Zoo hij nochtliands één dag of twee dagen overeind blijft, zoo zal hij niet gewroken worden." Sismaj ontkende dus volstrekt niet. Eer beroemde hij zich op wat hij verkoos te noemen, zijn goede tucht. Hij bewees alleen, dat de Koesjiet nog vier dagen geleefd had; en ging toen heen met opgeheven hoofd; bewerend, dat het geheel zijn eigen zaak was en niemand er mede te maken had.

Dat klinkt minder slavenverheiïend, vindt Gij niet ? Gij ziet, dat wel het allerruwste geweld wordt ingetoomd; maar daarom toch volstrekt niet een slaaf als medemensch van een vrije wordt beschouwd en behandeld.

„ En dat zou nog meer ontnuchterend openbaar zijn

1) Exodus 21 : '2 lor.