Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geworden," vult ChilkijaVs zoon aan, „wanneer Sjimengoon ook de tweede helft genoemd had van de door hem aangehaalde wetsbepaling. De daar opgegeven beweegreden getuigt waarlijk niet van hoogschatting. De slaat wordt er als zaak, als bezitting beschouwd. De wet op den doodslag van slaven toch eindigt met deze1) woorden: „Want hij is zijn geld."

VI.

Voor het als kwaad erkend worden der booze instelling ongelukkig — maar gelukkig voor degenen, die er persoonlijk bij betrokken zijn — is over het algemeen de verhouding der slaven tot Semitische meesters met zoo kwaad als bij de twee zonen van Joclidai.

Reeds het feit, dat een slaaf een door de wet erkend -) eigendom kan bezitten, is ten deze veelbetekenend. De wet toch spreekt niet alleen van de mogelijkheid, dat een ander hem losse; maar voegt van den slaat sprekendeer aan toe: „Of, heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zie i zeiven losse. En hij zal met zijn kooper rekenen van dat jaar af, dat hij zich verkocht heeft," ... .enz. En evenzoo onderstelt een andere wet3) de mogelijkheid, dat hy eigenaar blijft van wat bij zijn komen in slavernij in zijn bezit was. Anders toch zou de verklaring onnoodig zijn, dat hij niets zou medenemen bij zijn vrijlating, indien hij niets had ingebracht: „ Indien hij met zijn lijt ingekomen zal zijn, zoo zal hij met zijn lijf uitgaan.

De gekochte slaaf is uitteraard niet in de meest bevoorrechte positie. De tot krijgsgevangene gemaakte is

1) Kxodus 21 : 216.

2) Leviticus 25 : 49, 50.

3) Exodus 21 : 3.

Sluiten