Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zulk een gesprek met een slaaf zijns vaders geweest, waaraan Saul (1e zoon van Kisj zijn Koningschap lieeft te

danken gehad ?

Uit de dagen eer David den troon te Hebron beklom

is hiervan een voorbeeld bekend, dat indien mogelijk —

nog sterker is: _ .

Herinner U maar even de geschiedenis van den kalebiet Kabaal te Maon, en zijn vrouw de latere Koningin Abichail. Welk een vrije — ja eigenlijk wel zelfs al te vrije — taal veroorlooven zich daar niet de slaven, hoewel Kabaal blijkens hun eigen woorden nietx) eenmaal het recht van een eigen meening uit te spreken aan zijn slaven toestond. Blijkbaar achtten zijn slaven zich hierdoor in hun recht verkort. Er mag dus met recht uit afgeleid, hoe men het in die tijden in Israël gewoon was. Wanneer dan ook Kabaal hun heer door zijn dwaasheid David heeft verbitterd, gaat een hunner op eigen gezag (alsof hij eigen meester ware) Abichaïl waarschuwen en inlichten. En, al is vrees de gewone gezellin van slavernij, van slaafsche vrees geeft liij waarlijk geen blijken. In de oude geschiedboeken wordt van hem verhaald, dat hij hoewel slechts een slaaf — het waagde, om het volgende te zeggen tot de vrouw van zijn meester 2): „ Zie David heeft°boden gezonden uit de woestijn, om onzer heer te zegenen; maar hij is tegen hen uitgevaren. Kochthands zijn zij ons zeer goede mannen geweest ; en wij hebben geen smaadheid geleden, en wij hebben niets gemist, al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren. Zij zijn een muur om ons geweest, zoo bij nacht als bij dag, al de dagen, die wij bij hen geweest zijn, weidende de schapen. W eet dan nu, en zie,

1) 1 Samuel 25 : 17.

2) 1 Samuel 25 : 14—17.

Sluiten