is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land van Kruger en Steijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste vrije burgers bestonden uit negen personen. Van dezen kozen Herman Remajenne, Jan de Wacht, Jan van Passel, Warner Cornelissen en Roelof Janssen een landstreek uit ten oosten van de Tafelbergheuvels; ze verbouwden er tarwe en noemden hun nederzetting »Groeneveld." De vier anderen nl. Stephen Bothma, Hendrik Elbrechts, Otto Janssen en Jacob Cornelissen trokken daarentegen westwaarts en stichtten er den nHollandschen Tuin", waar zij tabak en graan verbouwden. Teneinde de kolonie voor uitsterven te bewaren, werd door de Compagnie ook voor vrouwelijk personeel gezorgd. Niet alleen, dat verschillende weesmeisjes uit de groote steden er een toekomstig vaderland vonden, maar ook tal van Hollandsche boerinnetjes volgden den weg naar Zuid-Afrika, schoon deze trek in de eerste jaren niet groot was.

Ziedaar, lezer, de eerste kolonisten aan de Kaap. En nu moge het waar zijn, dat er gedeserteerde soldaten en matrozen onder hen waren, schipbreukelingen en ongunstige sujetten; en eveneens mogen er zich — althans volgens den heer Tromp — dames onder hen bevonden hebben, op wier zedelijkheid niet te roemen viel en die zelfs door de politie als van de straat waren opgeraapt, — 't is dan toch een feit, dat de afstammelingen dezer min gunstig gequalificeerde kolonisten geheel andere karaktertrekken bezitten. We zullen later gelegenheid te over hebben, om hier nader op terug te komen; slechts dit willen we thans reeds zeggen, dat de Zuidafrikaansche Boer een liefhebbend vader en de Zuidafrikaansche Boerin een brave, zorgvolle moeder is, en dat beiden innig gehecht zijn aan hun kroost.

Intusschen verloor het machtige handelslichaam zijn eigen belangen geenszins uit het oog. Dat was trouwens niet te verwachten van de Nederlandsche kooplieden, bij wie geld verdienen, winsten behalen steeds op den voorgrond trad en die, om dat doel te bereiken, zelfs door de hel zouden gevaren zijn »op gevaar af van hun zeilen te zengen." Drie jaren lang mochten de burgers in het volle bezit van den grond blijven. Was die tijd verstreken, dan zou er een matige belasting geheven worden. Bovendien waren de kolonisten gehouden, op zekere voorwaarden gevraagde ververschingen aan de binnenvallende schepen te leveren, terwijl ook hier evenals elders aan het monopolie-systeem streng de hand werd gehouden, teneinde vreemde concurrentie te voorkomen. Zoo was het den kolonisten b. v. uitdrukkelijk verboden, van de inlanders iets voor zich zelf te koopen, en zulks op verbeurte van al hun bezittingen. Alleen voor de Compagnie mochten ze schapen en runderen koopen, de eerste tegen drie, de laatste tegen vijfentwintig