Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de andere of de Chuana-familie zijn de sterkste loten de stam der Basuto's en die van Karna. De Basuto's worden ook wel MaKateezen genoemd en wel naar Ma Kateeze, een oorlogzuchtige aanvoerderes, die, een eeuw ongeveer geleden, een aantal verspreide stammen onder haar banier wist te verzamelen en zich staande te houden in de streek der Maluti-bergen, wrat nu Basuto-land genoemd wordt, \oorts diene, dat het opperhoofd Karna een allerbelangwekkendste verschijning is onder wilde volken, wijl hij zijn best doet om zijn naturellen in plaats van hen door de beschaafde rassen te doen verdelgen — te verheffen en te beschaven en hen aldus van den ondergang te redden.

Behalve deze drie hoofdgroepen van inboorlingen zijn er na verloop van tijd nog andere zwarte broeders op het tooneel verschenen. Want de voorvaderen der Boeren waren slavenhouders, evenwel in den goeden zin des woords. De uitgestrektheid van de boerenhoeven, vaak duizenden bunders groot, maakte zulks trouwens noodzakelijk, evenals het belang van den Boer medebracht, dat hij zijn slaaf niet als lastdier maar als lid van zijn gezin behandelde. En de Boer begreep, dat, wilde hij aan slaven komen, hij dezen van elders moest importeeren. Immers het land zelf leverde ze niet op, om de doodeenvoudige reden, dat alle hout geen timmerhout is, en terecht zegt Olive Schreiner: »het zou even gemakkelijk voor de eerste Boeren geweest zijn, de antilopen en springbokken van Zuid-Afrika, die u het Zuidafrikaansche stof zoo menigmaal in het gezicht doen stuiven en zoo vlug zijn als de wind, tot lastdieren te maken, dan van die kleine, handige Bosjesmannen of van de dansende Hottentotten en de krijgshaftige Bantu's aan de oostkust slaven te maken!"

Het ras, dat de oorspronkelijke kolonisten er voor gebruikten, was in hoofdzaak het negerras van de oost- en westkust van Midden-Afrika: menschen, die gewilligheid aan spierkracht paarden, weinig wilskracht en individualiteit vertoonden en zich sedert den tijd van Las Casas maar aldoor voor de diep treurige zaak der slavernij geleend hebben. Ze werden vaak door de beschaafde (!) slavenhandelaars voor een appel of ei opgekocht, meest voor een kan of wat brandewijn, een paai negerschorten van boomwol of zijde, een stuk ijzer of zilver enz. 1) Ook van de kust van Madagascar werden slaven geïmporteerd; dezen waren echter lang niet zoo gedwee als hun meer westelijk en noordelijk wonende broeders en gaven op den duur hun eigenaren dan ook

1) ,T. J. Alberda. Schets der Handelsgeschiedenis.

Sluiten