Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl traagheid regel werd. Lui is de Hottentot in hooge mate, zelfs de honger is niet in staat hem tot arbeid te dwingen. Liever nog leg hii zich neer, om dien prikkel door slapen onmerkbaar te maken. De kleedin" van den Hottentot bestaat uit een schaamtegordel en een mantel van dierenvel. En teneinde deze laatste winter en zomer te kunnen • dragen, worden de huiden met de haren bereid: de ruwe kant wordt

nl. des winters naar binnen gedragen.

Ten slotte de beurt aan de Bosjesmannen, in alle opzichten de onaanzienlijkste inboorlingen-groep. Verwant in ras en taal met de andere dwergrassen, die men in Centraal- en Zuid-Afnka aantreft, zijn e Bosjesmannen daarentegen lichter van kleur en wel vuilgeel, mogelij ■ een gevolg van het koelere klimaat van het zuiden, dat zij waarschijnlijk reeds vele eeuwen bewoond hebben.

Een buitengewoon klein slag van volkje, zeiden we daareven. En inderdaad, de Bosjesmannen zijn op volwassen leeftijd niet grooter dan een Europeesch kind van elf jaar. Ze hebben kleine verschrompelde gezichtjes, en het hoofdhaar groeit in dunne, afzonderlijke bosjes, met geheele kale plekken daartusschen. De sexueele organen van het zwakke geslach verschillen in bouw met die van alle andere vrouwen ter wereld: rondom den schedel vindt men. een getanden rand, aldus iets vormende, wat de Boeren een dubbelhoofd noemen, en hun ooren schijnen op kleine steeltjes uit het hoofd te groeien. Strak is de huid over het geraamte gespannen; eigenaardig steekt er de hangbuik bij af, waaraan de Boeren no* eigenaardiger den naam van armoe-pens geven. Aan huis ot erf° hecht de Bosjesman niet. Een rotskloof is zijn geliefkoosde woning. Vindt hij die nergens, dan maakt hij zich een leger als een haas, ot wel hij buigt eenige takken van een mimosenboschje bijeen. De Bosjesmannen waren van den beginne geen veehouders. Zij leefden van «le jacht of voedden zich met slakken, schorpioenen en insecten. Kleeren droegen ze hoegenaamd niet, en hun wapens bestonden uit pijl en boog, terwijl de peezen van de bogen bereid werden uit de ingewanden van wilde dieren en de pijlen toegepunt met scherpe steenen of stukken been en ivoor, in giftige plantensappen of vocht van rupsen en adders aedrenkt. De Bosjesmannen kenden geen huwelijksplechtigheden en geen blijvende sexueele verhoudingen; ze hielden zich zoolang met elkander op, als ze er vermaak in vonden. Het moederlijk plichtsgevoe was ij hen slechts in zijn primitiefsten vorm vertegenwoordigd, de vaderlij e macht ontbrak ten eenemale'. Ook hun taal was doodarm. Ze had en zelfs geen woord voor vrouw, huwelijk, volk, en hun geest hield natuur ij

Sluiten