Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar gezinnen met vleesch van wilde bokken spijzigden, dat zij ook weder met eigen handen hadden toebereid; die in tijden van gevaar naast hun dappere mannen en zonen stonden en die men, als de vijand maar voortdurend zijn aanvallen op haar bleef richten, op den bok van haar wagens kon vinden, druk bezig met gestadig de geweren te laden, haar mannen en zonen daarbij tot dapperen strijd, zelfs tot den doodstrijd aanvurende, zooals haar Teutoonsche voormoeders achttien honderd jaar geleden in de wouden van het Germanenland hadden gedaan, deze mannen, uit zulke vrouwen geboren, wier eerste kijk in de wereld op de wijde, wijde roode zandvlakte en den uitgestrekten helderen blauwen hemel van Zuid-Afrika was; die, voordat zij nog konden praten, met slechts half begrijpende oogen stonden te kijken naar het laden van geweren en het schieten op allerlei wild en die, lang voordat zij volwassen waren, leerden het spoor van wilde dieren en van hun eigen vee aan de geringste merkteekenen en op het zand te volgen; die, als zij alleen reisden, aan niets anders behoefte hadden dan aan een paar stukken biltong en een paar stukken hard brood in hun tasschen en zadel, waarop zij des nachts hun hoofden onder den blooten hemel konden laten rusten; wien iedere vogel en wien ieder beest, dat in Zuid-Afrika te vinden was, bekend en gemeenzaam was; voor wien iedere plant zijn naam had en iedere beweging in de atmospheer van beteekenis was; voor wien iedere vlakte, die zij betraden, een frisch tehuis was, en die, als zij stierven, onder^datzelfde roode zand begraven werden, waarop zij ook het levenslicht aanschouwd hadden en daar in de vlakte werden achtergelaten onder een stapel steenen in die overweldigende eenzaamheid, die zij ook nooit hadden gevreesd, toen ze nog in leven waren; — deze mannen en de vrouwen, die hen baarden, bezaten Zuid-Afrika op een wijze, zooals geen blanke later Zuid-Afrika bezeten heeft en ooit weder bezitten zal dan misschien hier of daar in later dagen een dichter of kunstenaar. Zij bezaten het, als de wilde beesten en de wilde volksstammen, die zij verdreven, het bezeten hadden; zij groeiden er uit en erin; het gaf geheel en al vorm aan hun leven en bepaalde geheel hun individualiteit. Zij waren niets verschu digd aan de menschen van het land, doch alles aan de onbezielde natuur om hen heen. De geur der beschaving, die zij uit hun woonsteden in het westen hadden medegebracht, verloren zij langzamerhand, maar daartegenover verwierven zij een kennis van het nieuwe land, dat zij zich uitgekozen hadden, zóó degelijk en grondig als zij ooit van hun eisenliike oude vaderland hadden kunnen verkrijgen!

Sluiten