Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neusholte.

hard gehemelte, week gehemelte.

tanden, tong.

onderkaak, strotklepje.

slokdarm (ocsopliagus).

stemband, luchtpijp {trachea).

opening van de oortrompet.

amandel (tonsil).

ruggemergskanaal. rugge wervels.

Fig. 2. Doorsnede keelholte.

gehemeltebogen ziet (fig. 1 en 2). In die holte monden van onderen twee buizen uit: de luchtpijp (trachea) en de slokdarm (oesophagus), de luchtpijp voor, de slokdarm achter. Om dus in den slokdarm te komen, moet de spijsbrok over de luchtpijp heen; door hot slikken echter sluiten wij met een dekseltje (de strotklep) de luchtpijp af, en het eten valt achter van den tongrug in den slokdarm.

14 Verslikken is indien liet klepje zich te laat of onvoldoende sluit en er iets van den spijsbrok of den slok in de luchtpijp komt. 't Gevolg is eene hevige hoestbui, die in den regel voldoende is om de stukjes of druppels van waar ze niet behooren uit te werpen. Zyn ze er echter te groo.t voor, dan zou zonder doelmatige hulp de patiënt stikken. Die hulp moet bestaan in liet driest invoeren van den vinger, zoo diep mogelijk, terwijl de patiënt met wijdgeopenden mond het hoofd achterover houdt. Men tracht eerst het stuk te verwijderen, en gelukt dit niet, dan het over te drukken in den slokdarm. Gaat dit echter niet spoedig naar wensch, dan zende men onderhand naar een chirurg, die dan waarschijnlijk verplicht zal zijn tracheotomie te doen, d.w. z. de luchtpijp van buiten te openen, opdat de patiënt althans kunne

Sluiten