Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den neus in de neuskeelholte en trekt hom door de mondholte weer naar buiten. Aan dit einde wordt een draad bevestigd en dan de catheter heelemaal teruggehaald. Hierdoor heeft men dus verkregen dat er een draad door de mondholte achter het gehemelte om en weer door de neusholte naar buiten loopt, waaraan men een prop gaas kan vastbinden en zoo achter in de neusholte trekken. Dan sluit men het neusgat af en bevestigt daaroverheen het draadje dat nog aan de achterste tampon is blijven zitten.

Sommigen gebruiken een apart voor dit doel geconstrueerd instrument, de sonde van Bellocq (fig. 11).

£,ene gewone neusverKouüneia is met de moeite oa waard om over te spreken; wel is er eene andere ontsteking die eene bijzondere behandeling vereischt, de ozaena of scrophuleuze neusontsteking.

Behalve de behandeling door inwendige geneesmiddelen om den algemeenen toestand te verbeteren, kan men plaatselijk de genezing bevorderen door den neus uit te spoelen met lauw water. Men gebruikt hiervoor een blikken of glazen bak waaruit aan de onderzijde het vocht door eene guttapercha buis kan wegvloeien (Lat. irrigator; Fr. irrigateur, Fig. 12). Aan het einde van die buis zit eene canule, liefst van glas. Velen gebruiken daarvoor eene oliifvormiee hardcaoutchouc canule die de

Fig. 12. irrigator. uitwendige neusopening afsluit.

Dat neusuitspoelen is niet zoo eenvoudig en ongevaarlijk als het wel lijkt. Men laat den patiënt het hoofd voorover houden boven een bak en vermane hem rustig met open mond diep te ademen en zich niet zenuwachtig te maken. Loopt het vocht niet gemakkelijk uit het andere neusgat, dan late men zich niet verleiden om door het hooger houden van den irrigator den instroomingsdruk te vermeerderen; men wacht maar kalm af: de prop, die het uitstroomen misschien belet, zal wel weeker worden en uitgestooten worden. Want iuist een hooge druk is het gevaarlijke bij het neusuitspoelen.

§ 3. Keelholte en luchtpijp. Op de neusholte volgt, zooals we 52 gezien hebben, de keelholte. De keelholte wordt van achteren begrensd door den keelwand (pharynx in het Latijn), van voren door de gehemeltebogen, die men bij geopenden mond gemakkelijk ziet en waartusschen aan beide zijden de amandelen*) of tonsillen zitten, gaat naar boven over in de neusholte en naar onderen in de luchtpijp en den slokdarm (fig. 13).

Achter aan het weeke gehemelte, in het midden tusschen de gehemeltebogen beiderzijds hangt een vleezig lelletje naar beneden dat „de huig" heet. Indien dit ontstoken en gezwollen is, zegt het publiek dikwijls: „lk heb de huig", alsof dit eene ziekte ware; neen, het gezonde ding heet huig en als het ontstoken is, heet het een ontstoken huig.

Bij gelegenheid van de bespreking der spijsvertering hebben

*) Niet «mangelen", zooals het publiek zegt.

3

Sluiten