Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE AFDEELING.

De verpleegster, hare werkplaats en haar werkkring.

HOOFDSTUK I.

DE Y K R P L E E (i S T E K.

277 § 1. Hare verhouding tot dokter en patiënt. Wanneer de verpl. de beide vorige afdeelingen van dit leerboek bestudeerd heeft en zich het daarin behandelde ook wezenlijk eigen gemaakt heeft, indien zij zich eene goede voorstelling kan maken van den bouw van het menschelijk lichaam en een helder inzicht heeft in het ontstaan der ziekten en vooral van de antisepsis, dan heeft zij eene voorname voorwaarde vervuld om eene uitnemende veipl. te worden. Zij meene echter niet daarmede te kunnen volstaan; ik heb daarmede nog niet zoozeer het oog op de alleszins wenschelijke kundigheden die zij uit de nog volgende hoofdstukken kan putten, als wel op een hoofdzaak die eigenlijk van zelf moest spreken. Ik bedoel dat haar meest in het oog springende eigenschap niet geleerdheid moet zijn maar liefderijkheid.

Vroeger, toen de ziekenverpleging alleen in handen was van diaconessen en nonnen, meende men genoeg te hebben aan een goeden wil en een liefderijk hart. Langzamerhand is men echtei tot het begrip gekomen dat dit niet voldoende is; met den besten wil om goed te doen kan men onverstandige dingen doen en het is dus zonder twijfel goed gezien om ook voor het vak van ziekenverpleging eene speciale opleiding te eischen. Maar nu loopen wij weer groot gevaar van den vroegeren tijd van verpleging, door personen die slechts hare liefde geven konden, te vallen in eene periode waarin meer geleerdheid doch minder

Sluiten