Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien is. Als laatste ontwikkelde afdeeling treffen wij hier het Acheuléen aan, welke naam vroeger, zooals wij opmerkten, door de Mortillct voor het Chelléen gebezigd werd, doch waarmede hier door Rutot eene afdeeling, jonger dan het Chelléen bedoeld wordt, die niet lang geleden door de nauwkeurige onderzoekingen te Mons en Binche bekend is geworden en zich kenmerkt door een fijnere afwerking der werktuigen van het Chelléen. In de omstreken van Binche aan beide oevers van het dal der Haine treft men uitgestrekte en zeer rijke vindplaatsen van het Chelléen aan, voornamelijk gekenmerkt door de aanzienlijke grootte der werktuigen en door het voorkomen van talrijke wapenen, als knotsen, dolken, messen, speerpunten enz.

In het Westen van Duitschland zijn twee vindplaatsen uit dien tijd bekend geworden.

In de eerste plaats mogen de grotten van Rübeland

in Brunswijk genoemd worden, in welke de vuursteenwiggen van het ChelléoMoustérien met de beenderen van den holenbeer, die aan het einde van dezen tusschenijstijd het menigvuldigst voorkwam, gemengd lagen. De beenderen toonden overal de sporen van geweld; want om er het zoo gewilde merg uit te halen, waren zij veelal gespleten, waarvoor men, behalve de vuursteenwiggen, voor het eerst ook de onderkaakhelften van den holenbeer schijnt gebruikt te hebben, zooals de indrukken van de groote hoektanden op de beenderen bewijzen.

Een tweede beroemde vindplaats is Taubach in Sachsen, in het dal van de Ilm, ten zuidoosten van Weimar o-e-

TT . • • ' c?

Fig. 25. Uit vuursteen geslagen vuistwig van het Acheuléentype, doch van een langeren vorm. gevonden te Montort bij Abbeville. Iïet werktuig past goed in de hand; door de kogelvormige verbreeding onderaan kon meer kracht aan den slag gegeven worden. (I/3 der nat. grootte.)

legen. In de steengroeve van Ehrigsdorf liggen daar, boven de overblijfselen van een vroegere vergletschering, in een zandlaag, die den oever van een

Sluiten