Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer uitsluitend opging in de zorg voor zijn dagelijksch voedsel, doch ook tijd vond, om zich met zijne opkomende aesthetische neigingen bezig te houden. Hij begon zich zijn individualiteit meer bewust te worden en poogde door opschik zich van de andere leden van den stam te onderscheiden. Deze opschik van zeer primitieven aard vinden wij nog terug bij de laagsten der thans levende volken, bijv. de Australiërs, die zich bij droefheid en vreugde met verschillende kleurstoffen inwrijven. Ook hunne cultuur komt eenigszins met die der loessmenschen overeen, want behalve windschermen en schuin op den bodem rustende, van bladeren gevlochten daken, weten zij nog geen hut te bouwen.

Als rustelooze jagers leeren wij dus de loessmenschen kennen, die in familiën of grootere troepen het wild, waarop zij jacht maakten, vervolgden, tegen weer en wind zich hoogstens door een dierenvel beschermend en wier eenig bezit bestond uit eenige ruwe vuursteenwerktuigen, in den vorm van messen, krabbers en schaven en eenige ballen gekleurde aarde, die zij wellicht in een met vet ingewreven stuk dierenvel bij zich droegen. Wij zouden de loessmenschen van den laatsten tusschenijstijd het best kunnen vergelijken met de, tegenwoordig op enkele overblijfselen na, uitgeroeide Boschjesmannen, die Zuid-Afrika jagend doorkruisten, als een roofdier het wild naderden, om het met vergiftige pijlen te dooden. Wij mogen aannemen, dat ook de loessmensch zijn buit meer door list dan door kracht overmeesterde. Doch pijl en boog bezat hij niet; hij beschikte slechts over een met een steenen punt voorziene lans en een houten knots, dien hij met groote handigheid wist te gebruiken.

1 alrijk zijn ook de overblijfselen, die de mensch in Bohemen, vooral in Mahren, uit dezen tijd heeft achtergelaten. De belangrijkste vindplaatsen zijn Joslowitz in het Zuiden van Mahren, eenige plaatsen om Briinn en eindelijk Predmost, zeker de belangrijkste van allen.

In Joslowitz, ten Zuidoosten van Znaim, aan den rechter oever der 1 haya, dicht aan de Oostenrijksche grens, werd reeds in het jaar 1871 door Graaf Wtirmbrand aan de

Sluiten