Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heel en al op in de zorg voor het dagelijksch voedsel. Van hunne jachttochten brachten zij allerlei merkwaardige versteeningen, nl. belemnieten, kleine en groote ammonshorens, allerlei schelpdieren, steelgeledingen van zeeleliën, boonertskogels en oker om te kleuren, naar de grot mede. Talrijke versteeningen zijn doorboord en werden evenals de tanden, van welke er twee van den poolvos en een berentand doorboord waren, aan een peesdraad geregen om den hals gedragen. Onder de sieraden vond men ook gagaatpaarlen, van pikkool gemaakt, die

*ig. 99. Sierstaaf van een rendierjager uit het Magdalénien, die vermoedelijk gediend heeft om het dierenvel over de borst bijeen te houden en die versierd is met de afbeelding van een weidend rendierwijfje. Gevonden in het Keszlerloch bij Thaingen. (I/2 der nat. grootte).

van het ver verwijderde Schwaben moeten medegebracht zijn.

De zin voor versieringen en allerlei ornamenten blijkt uit tal van gebruiksvoorwerpen uit rendierhorens gemaakt, die evenwijdige, rechte of kromme lijnen of uitstekende ruitvormige figuren vertoonen. Zelfs vond men hier geweistukken, waarop een kop van een muskusos, een visch en een ruw geschetste menschenfiguur zijn ingesneden.

Op een ander stuk is de kop van een ree geteekend, op een ander een wild paard of wilde ezel met langgerekt lichaam en korte, stijve manen. De merkwaardigste proeve van de palaeolithische teekenkunst der rendierjagers is wel de sierstaaf, uit rendiergewei gemaakt, die reeds in het jaar 1874 in het Keszlerloch gevonden werd en die een waar sieraad is van het Rosgarten-museum te Constanz. De met bewonderenswaardige natuurgetrouwheid, met een vuursteenmesje in het been gekraste teekening stelt een weidend rendierwijfje voor, van veel krachtiger bouw dan de tegenwoordig bekende tamme Euro-

Sluiten