Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rood is ook de eenige kleur, die in het geheele indogermaansche taalgebied een gemeenschappelijken wortel heeft.

Wilde volkstammen, wier kleurenzin men nauwkeurig heeft onderzocht, onderscheiden het eerst rood, daarna geel, terwijl blauw en groen hen volmaakt onverschillig zijn. Het warme rood, dat ook het kleine kind het eerst opvalt, terwijl het de koude kleuren groen en blauw dikwijls tot aan zijn derde en vierde jaar, overeenkomstig de historische ontwikkeling der kleurenonderscheiding, nog niet onderscheidt, vermocht sedert altijd bij den oorspronkelijken mensch het hoogste zingenot op te wekken. Evenals het van de vroegste tijden af een groote rol heeft gespeeld — purper was immers het zinnebeeld van de grootste macht, later van de hoogste majesteit, en de priester kleedde zich in een rood gewaad, terwijl bij ons rood de kleur der liefde is gebleven — zoo is deze kleur, die het allereerst den mensch opviel, ook in het Asylien, de oudste afdeeling van het neolithische tijdvak, door den mensch gebruikt, om zijne tooverteekens op kiezelsteenen te schilderen.

Elke schim, en later ook iedere tot halfgod en eindelijk tot god verhevene geest, had in den geheelen voortijd, waarin men de gedachten nog niet door schrift uitdrukte, haar bepaald magisch teeken, haar symbool, waardoor zij door iedereen herkend kon worden, evenals in de Middeleeuwen iedere heilige zijn bizonder, alleen hem toebehoorend kenteeken had. Met deze magische teekens werd, zooals de naam reeds aanduidt, ook tooverij gepleegd. Wanneer wij nog oudere gebruiken, om de toekomst te voorspellen, voorbijgaan, — bijv. uit het gedrag van enkele fetischdieren, die men bewoond waande door een bepaalden geest en wien men daardoor de eigenschap toekende om in de toekomst te zien ; uit de vlucht van vogels, of door het raadplegen der ingewanden, vooral echter uit de bewegingen van het uit het slachtoffer gesneden hart — dan bestond het oudste tot ons overgeleverd orakel der germaansche stammen uit schudden en werpen van stokken, waarop zulke magische teekens waren ingesneden. Deze zinnebeeldige teekens noemde men in dit verband runen —

Sluiten