Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boeren in Wallachije leven bijv. nu nog in geheel gelijksoortige kuilen, als in de tijden van Tacitus bij onze germaansche voorvaderen in gebruik waren. Deze romeinsche geschiedschrijver uit de eerste eeuw onzer jaartelling beschrijft ons nauwkeurig een dergelijke germaansche woning, evenals de met meststoffen bedekte kuilen der oude duitschers, terwijl vondsten, zooals bijv. die van Haltern aan den Beneden-Rijn, ons leeren, dat zelfs de beschaafde Romeinen bij hunne nederzetting op den duitschen bodem beide bouwwijzen hebben aangenomen.

Deze hoogst primitieve woningen, die, als men wil, de plaats moesten innemen der vroeger bewoonde, door de natuur gevormde grotten, die immers slechts in gering aantal en niet overal te vinden waren, kwamen echter vooral daar algemeen in gebruik, waar Kelten zich vestigden. Zij doen zich tegenwoordig, na het vergaan der houten stutten, gedeeltelijk als trechtervormige kuilen of mardellen — ook margellen geschreven, in de meening, dat het woord met mar go samenhangt, omdat deze kuilen door een aarden wal omgeven zijn — gedeeltelijk als groote ronde, nu met water gevulde en daarom ook wel maren genoemde kuilen voor, die vroeger voor kunstmatig aangelegde drinkplaatsen voor het vee werden aangezien. Toen men ze uitgroef, bleek de onjuistheid dezer meening Daarentegen vond men, dat het oude, in den bodem gegraven woningen waren, die een boven den grond te voorschijn tredenden bovenbouw droegen, uit naar het midden hellende en daar tot een soort dak verbonden ruwe stokken samengesteld. Dit kunstmatig dak was, ter beschutting tegen regen en sneeuw, zeer doelmatig met zoden bedekt. Het inwendige van zulk een, des zomers koele, doch des winters warme aardwoning bevatte op den zorgvuldig vastgestanipten, later zelfs veelal met kiezelsteenen belegden bodem een of twee haarden, van 1 tot 2 M. lengte en 1 M. breedte, waar gekookt werd en waar een groote hoeveelheid hout moet verbrand zijn. De rook trok, zich door de geheele hut vespreidend, door de nauwe als deur dienende opening naar buiten; noch een schoorsteen, noch een venster, noch

Sluiten