Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den." De Germaan groette den vertrekkende tot afscheid met het gemoedelijke ,,fahre wohl"; bij het wederzien vroeg hij insgelijks „wie fahrst du?" Hij, die tot de afvaart gereed is, is );fertig"; wie weggevaren is, is „ferne." !)

In zijn oorspronkelijk vaderland, waar zijne taal zich ontwikkelde als de uitdrukking van zijne gedachten en van hetgeen hij ondervond, zag de Germaan in de streek waar de zon op het warmst van den dag stond, de zee golven. Daarom noemde hij deze streek ,,dem Sunde", d. i. ,,dem fahrbaren Meere zu", waaruit later het woord „Süden" werd. De tegenovergestelde kant, „den Norden", noemde hij „dem Lande, der Erde zu." En daar alle Germanenstammen het Zuiden en het Noorden zoo noemen, moeten zij, toen zij nog bijeen waren — nog een volk vormden — in het Noorden van een zee gewoond hebben.

Zuid-Zweden — waarvan de noordelijke grens door de groote Miilar-, Wettern- en Wenernmeren gevormd wordt, van welke het laatstgenoemde zich door den Götaelf bij Göteborg in het Kattegat, de verbinding tusschen de Noord- en de Oostzee, uitstort — wordt tegenwoordig Skone, d. w. z. Schonen, genoemd. In dit woord ligt, volgens Dr. J. IV. Bruinier te Greifswald, de overoude benaming Skandanau, d. i. „Eiland der Skandaner of Skandiner", opgesloten, waaruit later de naam Skandinavië voortkwam. Skandaner of Skandiner is, volgens denzelfden schrijver, de oudste naam, die, voorzoover wij weten, de Germanen zich zeiven gegeven hebben, en beteekent de uitmuntenden. Daarom noemden zij, vol zelfingenomenheid, hun land naar zich zeiven Skandanau, d. i. eiland der uitmuntenden en de zee ten Noorden^ van den Sund, die in het Zuiden dit eiland omspoelt, Kattegat, dat straat der uitmuntenden beteekent. Ja, de naam van den fiersten aller Germanen-stammen, de Katten (meestal Chatten geschreven) of Hessen, is een afleiding van hetzelfde woord.

1) In onze taal zouden wij zeggen: wie veel gevaren heeft (bereisd is) heeft veel ervaren en heeft gevaren doorstaan. De Germaan groette den vertrekkende tot afscheid met het gemoedelijke „vaarwel", bij het wederzien vroeg hij insgelijks „hoe vaart gij ?" Hij, die tot de 'afvaart gereed is, is reisvaardig, wie weggevaren is, is ver weg. Noot v- d bew_

Sluiten