Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welk een gevoelloosheid en gruwzaamheid, die geen medelijden kent, zelfs de zachtaardigste natuurmenschen tentoonspreiden, zoodra de sluimerende hartstocht ontwaakt. Dan treedt de in hem sluimerende roofdier-natuur met onstuimigheid naar voren, en doet hem in koelen bloede de ongeloofelijkste misdaden plegen.

\\ ij zullen ons daarvan nog beter kunnen overtuigen, wanneer wij ons van het koude Noorden naar het warme Zuiden, van de phlegmatische Eskimo's naar de warmbloedige Papoea's begeven. Wanneer wij ook nog eenige bladzijden aan de Papoea s wijden, zullen wij tevens zien, hoe de volken, die op hoogeren cultuurtrap staan dan de palaeolithische jagers van vroeger en de Eskimo's van heden, denken en gevoelen, en waardoor wij tevens zullen leeren, hoe het in den neolitischen tijd bij ons in xMiddenEuropa moet zijn toegegaan.

Nog tegenwoordig treffen wij op verafgelegen eilanden in den oceaan paalbewoners aan, zooals zij voor 5000 en 6000 jaar aan de oevers der zwitsersche meren leefden. Deze paalbewoners zijn de Papoea's. Deze naam, die de Europeanen hen hebben gegeven, is afgeleid van het maleische woord papoewa, dat kroesharig beteekent, en waarmede de Maleiers de donkere bevolking der hen in het Oosten aangrenzende eilanden aanduiden. Op Nieuw Guinea, den hoofdzetel der Papoea's en op de aangrenzende eilanden is deze naam geheel onbekend, voorzoover hij niet door maleische handelaren werd ingeburgerd. De bewoners kennen geen algemeenen naam &voor ^hun land noch voor zichzelf, doch iedere stam en diens woonstreek draagt een afzonderlijken naam.

De I apoeas zijn prognathe dolichocephalen, nl. langhoofden met naar voren staande scheef geplaatste kaken en tanden, waardoor zij aan laagontwikkelde toestanden herinneren. Zij zijn van middelbare grootte, hebben een donkerbruine huidskleur, lang, ruig, zwart kroeshaar, een breed gezicht, groote oogen, grooten mond, langen, smallen „jodenneus", vleezige lippen en een smalle, kleine, terugloopende kin. Laatstgenoemde eigenschap herinnert aan den toestand, die wij bij de apen aantreffen (zie blz. 99),

Sluiten