Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47. M. galericulata (Scop.) afgeleid van galericulum of veelkleurig hoedje, n. a. van den hoed der zwam.

Syn.: Ag. pseudoclypeatus-Bolt., Ag. fistulosus-Bull.

De hood is bijna vliezig, kegel of klokvormig, eindelijkeen weinig uitgespreid, bultig, gestreept doch niet op den top, droog, onbehaard, niet dikwijls golvenden rand, de kleur is zeer verschillend, grauw-bruin, licht loodkleurig of geelbruin, 2 a 4 cM. breed.

De steel is lang, naakt, tenger, buigzaam, stevig, pijpachtig, glad, onbehaard, fluweelachtig of donzig aan den voet die veelal gekromd is en eindigt in een spoelvormigen wortel, grijsachtig, bleeker bovenaan, ook wel bruinachtig, 6 a 10 cM. lang en 5 a 5 cM. dik.

De plaatjes zijn aangegroeid, met een tandje afloopend, geaderd, bij den rand verbreed, wit, wit- of grijsachtig, dikwijls overgaand tot het geelachtige of vleeschkleurige.

Het vleesch is wit, onaangenaam van smaak.

Deze zwam is in zomer, herfst en winter te vinden op dood hout op vochtige sombere plekken in bosschen, meest

zodevormend, overal veel voorkomend.

(

OM P HA LI A.

De naam van dit geslacht is afgeleid van of navel naar aanleiding van den in het midden ingedrukten hoed. Het kenmerkt zich door een halfvliezigen, genavelden of trechtervormigen hoed. De steel staat in het midden, hi j is pij pacht ig, kraakbeenig, van boven wiider en gaat oo in den hoed.

«I C1 L

De plaatjes zijn afloopend en droog. Yolva en ring ontbreken.

De sporen zijn eivormig en kleurloos.

Over het algemeen zijn het kleine, breekbare of taaie zwammen die eetbaar noch schadelijk zijn.

Omphalia fibula.

1. 0. hydrogramma (Fr.) afgeleid van CSup of water en