Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

top, geel aan den voet, soms hier en (laar niet een purpere tint, ook ziet men hem wit of wit rose, de lengte bedraagt 3 a 4 cM.

De plaatjes zijn weinig talrijk, aangegroeid, dik, geel, dan groenachtig, van achteren smaller.

Komt op dezelfde plekken als de vorige soorten voor, doch eenzaam.

LACTARIUS.

De naam Lactarius, afgeleid van het Latynsche woord lac dat melk beteekent, werd dit geslacht gegeven omdat het zich kenmerkt door een melkachtig vocht dat bij de geringste kneuzing uit de wond vloeit. Sommige Duitsche schrijvers behandelen deze soort zwammen onder Galorrheus.

De hoed dezer zwammen is vleezig, meestal vlak, holrond of genaveld met meer of minder omgerolden dikken rand.

De steel is middenstandig, veelal kort, stevig, eenkleurig met den hoed of bleeker, eerst gevuld, later hol en zeer breekbaar.

De plaatjes zijn ongelijk, aangegroeid of iets afloopend, vliezig of wasachtig, hard met scherpe

snede en scheiden wanneer men ze Lactarius theiogaius. kneust een ondoorzichtig wit, grijs,

geel of rood gekleurd vocht af dat scherp of smakeloos is.

De volva en ring ontbreken. De sporen zijn bijna kogelrond. x)

Het melkachtige sap waardoor dit geslacht zich in het bijzonder karakteriseert, ontbreekt soms. Bij oude exemplaren komt zulks veel voor maar bij ,,L. vellereus" is het vooral in drogen tijd moeielijk te vinden. Deze eigenschap is van belang daar zij dan veel gelijkt op „Russula delica" en daarmede verwisseld zou kunnen worden.

1) Zie de plaat no. 5 en 28.

Sluiten