Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In droge naaldbosschen, meestal alleen, in den herfst vrij algemeen voorkomend, eetbaar maar niet smakelijk.

2. P. brumalis (Fr.) afgeleid van bruma of winter.

De hoed is taai vleezig, dan lederachtig, eerst bol, vlakgolvend, dan een weinig genaveld, zonder gordels, onbehaard, ouder zijnde harig-schubbig, bruinachtig of grijsbruin, dan bleek en kaal, 2 a 7 cM. breed.

De steel is dun, bleek bruin, stijf harig, geschubd.

De poriën zijn langwerpig, hoekig, klein, getand, wit, dan geelachtig.

Van den herfst tot het voorjaar op gevallen takken, doode stronken van eiken en beuken ; niet overal te vinden.

3. P. Schweinitzii (Fr.) genaamd naar den mvcoloog Schweinitz.

De hoed is dik, sponsachtig, kurkachtig, ruw-viltig, veelal trechtervormig, alleen of als dakpannen over elkaar, eerst geelbruin, dan kastanjebruin, 10 a 15 cM. breed.

De steel is zeer kort, dik, roestkleurig, ontbreekt meestal.

De poriën zijn groot, verschillend gevormd, gescheurd, zwavelgeel, dan groenachtig.

Het vleesch is eerst zeer zacht, sponsachtig, dan hard, droog, breekbaar, geelachtig of roodbruin.

Van Augustus tot in den herfst in naaldbosschen, alsook op de wortels van olmen te vinden, doch steeds zeldzaam.

4. P. biennis (Fr.)

Syn. : Boletus biennis-Bull.

De hoed is vormloos, eerst sponsachtig, dan leder-kurkac-htig, vlak, op het laatst ingedrukt, uitgespreid, zonder gordels, met gelobden rand, bochtig, witachtig of roestkleurig gewasschen, aan den rand een weinig berijpt, lateikaal, 4 a 8 cM. breed.

De steel is kort, dik, roestkleurig, vooral aan het einde iets wollig, de lengte bedraagt nauwelijks 2 cM.

De poriën zijn ongelijk, scherp, bochtig, ingescheurd,

Sluiten