Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In liet voorjaar ziet men de peritheciën als ingezonken puntjes in liet stroma en in het najaar treft men het vruchtlichaam aan met een witachtig poeder bedekt dat uit coni-

diën bestaat.

1. X. hypoxylon (Grev.)

Syn. : Clavaria Hypoxylon (L.)

De meestal vertakte, geweiachtig uitziende vruchtlichamen (stroma) zijn plat, zelden afgerond en dooide conidiën wit bepoederd, onderaan zwart fluweelachtig en 3 a 8 cM. hoog. De conidiën zijn spoelvormig.

Deze zwam is in het voorjaar aan rottende palen en vooral aan

beukenstronken te vinden. xyiana hypoxylon.

Het mycelium heeft de eigenaardigheid om in donker licht af te geven, te phosphoriseeren.

2. X. carpophila (Fr.)

De stroma is enkelvoudig, zelden verdeeld, gebogen, slank, draadvormig en aanvankelijk door de conidiën aschgrauw of grijskleurig bestoven, onderaan behaard, de lengte bedraagt 1 a 10 cM.

In zomer en herfst is zij tusschen bladeren en aanklevende beukennooten te vinden.

3. X. digitata (Grev.)

De stroma is eenvoudig en rond als een steel, puntig, zelden stomp, vorkachtig gedeeld en meer of minder te saamgedrukt, aardkleurig bruin, kaal en 2 a 5 cM. hoog.

Zij komt in den herfst aan bewerkt hout als balken, palen en schuttingen voor, maar zelden aan boomstammen of stronken.

4. X. filiformis (Fr.)

De stroma is zelden vertakt, draadvormig, bochtig, glimmend, bruinzwart tot zwart, roodachtig aan het

Sluiten