Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't 4-tallig stelsel is nu 25 = 121, d. i.:

1 eenheid van de 3e orde, d.i, 4X4= l(> (io*1- st-)

2 eenheden » > 2e » » 2 X 4 = 8 * *

1 eenheid — 1.

Men probeere 't zelfde eens met een ander aantal voorwerpen. Dat doe men niet eens in gedachten, maar met de voorwerpen, de centen, in de hand. Dan begrijpt men in éénen waarom het 2-, 3-en 4-tallig stelsel in de practijk onbruikbaar zijn. Onderzoek eens wat daar tegen is en tracht dan meteen eens bezwaren te vinden tegen het 25-tallig stelsel b.v. (').

2. Op examens worden wel eens vraagstukken opgegeven over die talstelsels. Dat is zeer stellig heelemaal nutteloos, — maar voor wie examen moet doen, is alles belangrijk, en we zullen er daarom later een paar bladzijden aan wijden.

3. Op examens ziet men ook deze vraagstukken: Van zeker getal is het derde cijfer van rechts even groot als het eerste, doch ze verschillen in waarde 693. Hoe groot is het cijfer der eenheden ? — Deze en dergelijke vraagstukken zullen we later bespreken ; de oplossing kan men vinden met het geleerde in deze paragraaf.

4. Men kan opmerken, dat van links naar rechts de eenheden der verschillende orden telkens 10 maal zoo klein worden : duizendtallen, honderdtallen, tientallen, eenheden, en dan kun men vragen, of men niet verder kan gaan dan deze eenheden ? Welzeker, men kan doorgaan, op precies dezelfde wijze; dan krijgt men : tiende deelen, honderdste deelen, enz. Hierop berust de leer der tiendeelige breuken.

g .i. Hoe men de getallen schrijft en uitspreekt.

Men schrijft de eenheden cier verschillende orden eenvoudig naast elkaar ; van rechts naar links het cijfer der

eenheden,

tientallen,

honderdtallen,

duizendtallen, enz. enz.

't Gebeurt natuurlijk dikwijls, dat er in een getal geen tien-

(') Men raadplege desnoods de laatste bladzijden van dit boek.

Sluiten