Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar de vraag is ten slotte: hoe rekent men het uit? Ziehier wat de winkelier doet: hij betaalt b.v. wanneer hij al zijn »te-goed<: binnen heeft, en schrijft alles zoo op:

a) Ontvangsten: b) Uitgaven: Ontvangsten ƒ 22.07

eerst ƒ 8.78 eerst ƒ 10.67 Uitgaven -J20.29

dan - 3*24 dan - 3-24 Over f 1.78

dan - 0.67 dan - 6.38

dan j- 9-38 samen ƒ 20.29 samen ƒ 22.07

Wat deden we? De ontvangsten samentellen, de uitgaven evenzoo samentellen, en dan beide uitkomsten van elkaar aftrekken.

Zoó maken we ook de som uit het rekenboek. Al de getallen die opgeteld moeten worden, en die dus, behalve nummer I, voorzien zijn van het -f teeken, tellen we eerst bij elkaar, dus 878 _|_ 324 + 67 + 938 = 2207. Daarna worden de getallen opgeteld, waarvoor het — teeken staat, dus 1067 -|- 324 -f- 638. We herhalen: die laatste getallen worden opgeteld, want èn het eerste, 1067, en het tweede, 324, èn het derde, 638, moeten van de som der andere worden afgetrokken, samen dus 1067 + 224 -)- 638 = 2029. Dan wordt de eerste som, 2207, verminderd met de laatste, 2029; er blijft 178 over.

Komen zulke «sommen« in het practische leven voor, dan "aat alles vanzelf, want men stelt zich, al rekenende, bij elke handeling een zekere zaak voor, en dan vergist men zich nooit. Men redeneert: eerst gaf ik dat uit, toen dat, en toen dat, dus samen f 20.29. Maar bij de sommen uit een rekenboek gaat het vaak anders. Dat moest wel niet zoo zijn, elke rij van getallen moet de uitdrukking zijn van een zekere reeks van handelingen, en dat is het ook voor ieder, niet die goed rekenen kan, maar die goed begrijpt, wat hij berekent. Zoo'n rij van getallen, waar men beurtelings optellen en aftrekken moet, komt zonder meer alleen voor in rekenboeken — of op examens en ze beoogen dan voornamelijk wat variatie te brengen in het optellen en aftrekken met de bedoeling veel te rekenen zonder zich te vervelen. Maar op examens wil men ook dit weten, of de candidaat

Sluiten