Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonderheid bij 't gebruik en de toepassing der H.H. Sacramenten, de biecht vooral en de veelvuldige communie.

De Gorkummer Joannes van Neercassel, Codde's voorzaat als apostolisch vicaris en een rijkbegaafd man, had, onberaden, in Frankrijk het vergit' der Jansenistische dwaling ingezogen en aldaar innige vriendschap aangeknoopt met de hoofden der secte, bijname met Arnauld, du \ aucel, Gerberon, de Pontchateau en vooral Paschasius Quesnel, die den 2,k"n December 1719 te Amsterdam in eene woning der „Princegracht op de Groenmarkt," van de bulle Unigenitus op een aanstaande algemeene kerkvergadering appeleerend, als 85-jarige grijsaard overleden is. „Deze stokebranden der dwaling en ongehoorzaamheid — zoo schrijft de gewezen bisschop van Haarlem Mgr. Van Vree — gedwongen hun vaderland te verlaten, vonden in het midden der kudde, welke Neercassel bestuurde, eene veilige en aangename schuilplaats. Hij vereerde hen en beschouwde het een uitstekend geluk, hen in Nederland te mogen ontvangen. Daardoor verschafte hij hun de gelegenheid om de dwaling die hier reeds eenigen had aangetast, voort te planten en dieper wortel te doen schieten. Het gevolg van hun verblijf hier te lande is dan ook geweest, dat vele en wel van de voornaamste geestelijken met de dwaling besmet werden. Van de herders moest de besmetting ook op de kudde overgaan." *)

Onder de Nederlandsche geestelijken, aan de leiding en vorming der Jansenisten in België en Frankrijk toever-

1) Inleiding tot de vertaling van T. Backhuysen's Verhaal van hetgenc Z. B. van Espen (en anderen) betrekkelijk de Nederl. zending verricht hebben. Blz. XXXIV. In een opstel, getiteld D( brieven van Paschasius Quesnel (Studiën 1902, LIX blz. 197 248 meen ik overtuigend bewezen te hebben, dat het onzalig Jansenisme niet van den inheemschen clerus is uitgegaan maar werd ingevoerd en bevestigd door dezen huichelachtigen Jansêniste en exil.

Sluiten