Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij over gebrek aan steun van zijn partijgenooten; bij de verdediging van hem dierbare denkbeelden kon hij een onverschillig toeluisteren van hen, op wier medewerking hij meende te mogen staatmaken, slecht verdragen. Ook hier was hij te veel onderwijzer, om zich niet lamgeslagen te gevoelen bij het bespeuren van gemis aan opmerkzaamheid; want hoezeer hij gewoon was, zijn eigen zin te volgen, had hij toch groote behoefte aan waardeering. Als hij sprak in engen kring, vatte hij gaarne iemand in 't oog, die door een knikje of ander gebaar instemming betuigde met zijn denkbeelden; en dien liet hij dan verder niet los. Tot hèm richtte hij in het vervolg van zijn rede bijna doorloopend het woord, wat wel eens pijnlijk werd voor den aldus uitverkorene. Een licht applaus bracht hem eerst recht op dreef; dan kwam er vuur en versnelling van tempo in zijn woorden, die in den beginne gewoonlijk wat stroef en moeilijk voor den dag kwamen.

„In de Kamer laten ze je maar praten", zei hij bitter; „'t is soms net, of ze niet begrijpen, waar het om gaat". Wel gaf het succes, dat hij had met zijn amendementen, hem de gewone opgewektheid terug, maar het blijft de vraag, of hij zich bij een volgende verkiezing wel opnieuw beschikbaar zou hebben gesteld. Te dikwijls toch kwamen er onderwerpen aan de orde, die hem óf weinig belangstelling inboezemden öf buiten het terrein lagen, waarop hij zich thuis gevoelde; en bij zulke gelegenheden verdroot het hem, die bij zijn velerlei werkzaamheden zuinig op zijn tijd moest zijn, heele dagen in de vergaderzaal „rond te lummelen", zooals hij dat met een minder parlementair woord noemde.

In zijn laatste levensjaar werd Den Hertog tevens benoemd tot Schoolopziener in het Arrondissement Amsterdam III. Het is te begrijpen, hoe groote voldoening het

Sluiten