Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liaselstajlt, Aargau, Tessin, Wallis, Freiburg,Solotlmrn, (iraubanden, Tluirgau, Bern en Waadt van 8 a 9 jaar.

Begin en einde van den leerplicht. Een licht te herstellen, maar tuch eenigszins bedenkelijk gebrek van het wetsontwerp, is de bepaling van art. 1, dat de leerplichtigheid van verjaardag tot verjaardag duurt, nl. van den 6rn tot den 13cu. En in verband daarmede art. 3, luidende: „Aan alle lagere scholen bestaan jaarlijks ten minste twee tijdstippen voor toelating van leerlingen, met tusschenruimte van ten hoogste acht en ten minste vier maanden". Bovendien wordt aan deze bepaling zooveel gewicht gehecht, dat in art. 21 hoofden van bijzondere lagere scholen, die zich niet aan dit voorschrift houden, met eene geldboete van vijftig gulden bedreigd worden.

Dit is eerlijk gezegd eene onbegrijpelijke regeling. Volgens deze bepalingen zullen b.v. de beide modelscholen der Schoolvereeniging te Amsterdam jaarlijks elk met ƒ 50 beboet worden, omdat het Bestuur er stellig voor zal bedanken, tweemaal 'sjaars leerlingen aan te nemen en zoo de klassenindeeling dezer scholen in de war te sturen. Natuurlijk heeft het niet zooveel bezwaar, wanneer tusschentijds leerlingen worden toegelaten, die zoover gevorderd zijn, dat zij in een der klassen plaats nemen en daar het onderwijs behoorlijk volgen kunnen; maar de bedoeling van art. 3 is juist, dat vooral de pasbeginnende leerlingen tweemaal 's jaars plaats zullen kunnen vinden.

Die bedoeling is op zich zelf voortreffelijk, nl. zesjarigen b.v. geen elf maanden te laten wachten, eer zij kunnen geplaatst worden, maar dit oogmerk mag nooit langs dezen weg worden bereikt. Een van de goede gevolgen der Wet van 1878 is geweest, dat art. 21 aan de hoofden der openbare scholen, onder goedkeuring van Burgemeester en Wet-

Sluiten