Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houders en den Districts-schoolopziener, de vaststelling van een leerplan en de indeeling der school in klassen opdroeg. Dat voorschrift bezorgde aan tal van scholen eene weldadige rust. Het bleek namelijk heel spoedig, dat er van eene goede klassenindeeling en een behoorlijk leerplan geen sprake kon zijn, als het geen regel werd, slechts éénmaal per jaar eene nieuwe laagste klasse te vormen. Dan ontstaan er in eene school in den tijd van zes jaren zes klassen, en in dat geval is het nóg in scholen met minder dan zes onderwijzers noodzakelijk, om aan één onderwijzer twee of drie, of als hij alleen staat, allo zes de klassen op te dragen. Het spreekt vanzelf, dat in zulke gevallen van combinatie de kinderen feitelijk niet veel meer dan de helft, of een derde, of een zesde van den tijd behoorlijk onderwijs ontvangen. Het is waar, gedurende de oogenblikken, dat de meester met ééne klasse bezig is, maken de andere bergen schriftelijk werk, waarvan intusschen maar weinig correct kan worden nagezien. Men stelle zich echter voor, hoe het in zulke scholen vroeger gesteld was, toen er meestal tweemaal, en niet zelden viermaal per jaar nieuwe leerlingen werden aangenomen 1). En eene dergelijke onrust zou de Wet, die rust in de scholen moet brengen, weer in het leven roepen? Alleen in grootere scholen met veertien onderwijzers voor 14 klassen zouden twee plaatsingen per jaar bij zevenjarigen leerplicht mogelijk zijn. Waarlijk, de verzekering is niet overdreven, dat de overgroote meerderheid der onderwijzers liever geen leerplicht zullen zien invoeren, dan weer tot de tweemalige plaatsing

1) Zelf lieb ik indertijd — men vergeve mij de persoonlijke herinnering, — als hoofd eeuer dergelijke kleine school in de gemeente Haarlemmermeer, gedurende twee halve jaren (in 1871 en 1872), zonder bijstand van een onderwijzer voor een 80-tal leerlingen gestaan, terwijl eik kwartaal nieuwe werden toegelaten. Dit was geen onderwijs geven meer; dit werd kinderen bezighouden.

Sluiten