Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1°. Het onderwijs van schipperskinderen en die van zwervende ouders in liet algemeen is bijna niet te regelen. Toch zou art. 5 wel het een en ander meer kunnen bevatten, ten einde het gastwijze schoolbezoek van zulke kinderen te bevorderen. De zwervers b.v. behooren in het bezit te zijn van eene kaart, die naam en leeftijd hunner kinderen vermeldt; die aangeeft, binnen welken tijd en waar zij bij langer verblijf of overwintering zich hebben aan te melden, en waarop bij hun vertrek het bewijs, dat zij aan hunne verplichting voldaan hebben, kan afgeteekend worden. Aan de gemeentebesturen moet bovendien de plicht opgelegd worden, om voor deze schoolgasten eene, zij het altijd gebrekkige, dan toch zoo ordentelijk mogelijke regeling te treffen.

2°. Wanneer kinderen op geene enkele school binnen een afstand van 45 minuten gaans plaats kunnen vinden, moet men ze natuurlijk wel vrij stellen. Echter mag niet uit het oog verloren worden, dat de leerplicht ook den overheidsplicht verscherpt, en bet Rijk gebonden is de noodige maatregelen te nemen, om overal voldoende schoolruimte te verschaffen. Dat in § 3 der toelichting van het wetsontwerp „plaats gebrek op de scholen" — welke reden in 1897 voor het wegblijven van 14560 kinderen gold, — onder de oorzaken wordt opgenoemd, „die ook bij invoering van leerplicht tot vrijstelling zullen moeten leiden", is eene verklaring, die eenige bezorgdheid mag wekken.

3». De vrijstelling wegens „overwegende bezwaren" heeft blijkens de statistiek, bij het wetsontwerp overgelegd, niet veel meer dan een theoretisch karakter: in 1897 werd slechts omtrent 13 kinderen opgegeven, dat zij wegens gemoedsbezwaren de school niet bezochten. Mocht er, niettegenstaande de voorzorgen in het wetsontwerp, misbruik van deze vrijstelling gemaakt worden, dan mag men verwachten, dat dit

Sluiten