is toegevoegd aan uw favorieten.

Verspreide opstellen van C. H. den Hertog

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwekken, dan blokjes, vingers, centen, enz. Bij de hoeveelheden 5, 6 en 10 laat de schrijver dan ook die voorwerpen aan de teekens op 't bord voorafgaan; doelmatig en tevens consequent zou ik het achten, als dit door omzetting van eenige oefeningen ook bij de andere hoeveelheden geschiedde en niet met de streepjes begonnen werd,

Slechts één bezwaar van gewicht heb ik tegen de inrichting der oefeningen, een bezwaar, waarop ik ook bij de beschouwing van het 2e gedeelte nog zal moeten terugkomen. De heer V. kan n.1. niet besluiten, om bij jonge kinderen van een derde deel, een vierde deel, enz. te spreken; slechts aarzelend gebruikt hij het woord helft. Als Jan ouder Piet en Hein 6 griffels deelen moet, wil hij dan ook de volgende oplossing uitlokken. „Jan moet eerst een griffel geven aan Hein en een aan Piet, dan heeft hij er 2 weggegeven." Dit doet hij 3 keer achter elkander, zoodat Hein en Piet elk drie griffels krijgen.

Nu meen ik, dat de heer V. hier wel wat al te nauwgezet is en daarom een wel somtijds bij kinderen voorkomende, maar toch onnatuurlijke en onbeholpen manier van verdeden kiest, om niet van een derde deel, enz. te spreken. Ik heb n.1. opgemerkt, dat jonge kinderen zich van dien term een vrij juiste voorstelling maken, als men maar — hoe vreemd het ook klinke — van derde part, vierde part, enz, spreekt, evenals het woord keer hun helderder schijnt te zijn dan maal. Zij denken dan niet aan het deel, dat 3, 4, enz. maal genomen moet worden om het geheel te hijgen maar, gelijk het in hun eigenaardige taal luidt: aan datgene, wat ieder Icrijgt, als zij met hun drieën, vieren, enz. een zekere hoeveelheid „eerlijk" moeten deelen. Jan moet alzoo leeren vlug de hoeveelheid zes in twee of drie gelijke boeveelheden te scheiden, evenals hij tot grondslag van het latere ver-