Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziedaar vragen, die een oppervlakkig onderwijzer of een oningewijde niet anders dan als nesterijen kan beschouwen, de moeite niet waard om cr zich 't hoofd over te breken, maar die juist het bewijs leveren, dat de heer V. zich zijn taak niet te gemakkelijk heeft gemaakt en nauwlettend acht gegeven heeft op de wijze, waarop kinderlijke hersenen nieuwe voorstellingen opnemen.

Komt in den tweeden kring de behandeling der hoeveelheden 10—20 vrijwel met die van den eersten overeen, de ontwikkeling van het begrip tiental en van de schrijfwijze 11, 12, 13, enz. brengt eenige wijziging in de oefeningen. De schrijver wil echter liever dien term vermijden, en spreekt van een tien, 2 tienen, enz. Daar men evenwel in dit geval den naam der eenheden steeds weglaten moet, — een, twee tientallen appelen alleen is verstaanbaar — komt die benaming der eenheden van den 2en rang mij niet aanbevelenswaardig voor. Verder komt langzamerhand gelegenheid, — zonder dat de leerlingen nog met terminologie vermoeid worden — om hen met de vragen bekend te maken, waarop de vier hoofdregels het antwoord leeren vinden.*) Tot bevestiging dier nieuwe voorstelling staan mondelinge oefeningen natuurlijk bovenaan; wie op dien trap reeds schriftelijke verkiest, of er door den toestand zijner school toe gedwongen wordt, vindt daarvoor geschikte aanleiding in het 2e stukje van het rekenboek, waarin ik liefst de opgaven met abstracte getallen door eenige meerdere gemengde vraagstukjes vervangen zag. Wenschelijk komt het mij echter voor, dat de opgaven uit dit boekje uitsluitend mondeling behandeld worden.

1) De heer V. is voor <le schrijfwijze: 5 -(-5 + 5 + 5 = 5X4. Ik meen, dat het vooraan plaatsen van den vermenigvuldiger verkieslijk is : 4 X 5 ct. sluit zich beter bij het spraakgebruik aan, dan 5 ct. X

Sluiten