Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den 3en kring, (1—100) dien men ra. i. met de meerderheid der leerlingen in het 2e schooljaar niet straffeloos overschrijden kan, verlaat de schrijver de beschouwing der hoeveelheden volgens haar natuurlijke volgorde, om achtereenvolgens de hoofdregelen te behandelen. Van de wetenschappelijke benamingen is evenwel ook nu nog geen sprake; eerst als de begrippen behoorlijk ontwikkeld en bevestigd zijn, volgen de gebruikelijke termen. Hier vooral is het noodig, dat, het onderwijs in goede handen zij, want veel kan in dit tijdperk bedorven worden. Hier toch moeten do grondslagen gelegd worden voor de verschillende gevallen, die zich bij de hoofdregelen voordoen, en wie met dit gedeelte van het rekenonderwijs belast is, heeft inderdaad een wel uitlokkende, maar tevens zeer moeilijke taak. Met veel zorg heeft de heer V. dan ook dezen kring behandeld. Op uiterst geleidelijke en heldere wijze worden door een rijke verzameling van oefeningen (Se stukje) de begrippen, die aan de hoofdregels ten grondslag liggen, verder ontwikkeld, en dat met te gelukkiger uitslag, omdat de leerlingen zich de betrekkelijk kleine hoeveelheden met gemak kunnen voorstellen en daardoor geen gevaar loopen, uit onmacht den draad der redeneering te laten schieten en zoo tot werktuigelijkheid te vervallen. Bovenal acht ik het prijzenswaard, dat de schrijver, door de stof in vele onderdeelen te splitsen, een slagboom opwerpt voor overhaasting en er voortdurend op aandringt niet te betoogen, maar steeds te laten zien. Om een voorbeeld te geven: 't gebeurt o. a. niet zelden, dat men, tot de vermenigvuldiging met 20, 30, enz. genaderd, door redeneerivg de leerlingen er toe tracht te brengen, eerst met 10, daarna met 2, 3, enz. te vermenigvuldigen. De heer V. meent echter terecht, dat deze eigenschap ook aanschouwelijk gemaakt dient te worden

Sluiten