Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke beteekenis dit metaal voor de menschen heeft en wat er verder belangrijks aan vast is. Als men zoo van Rebeeca's spangen uitgaat, zullen de leerlingen voortaan bij bet zien van gouden voorwerpen aan die spangen denken, en verder — als de voorstellingsrijen maar goed „durchgebildet" zijn, — aan den gever dier spangen, den trouwen Eliëzar, „und gewiss nicht zum Unsegen".

Natuurlijk niet, als dit inderdaad in de werkelijkheid zoo toegaat. Maar wat zijn dit toch voor zonderlinge menschen, die zulke dingen met den grootsten ernst durven beweren? Vraagt men aan een gewoon mensch, wanneer een kind het eerst met goud in aanraking komt, dan zal hij waarschijnlijk antwoorden: „ja, dat gebeurt al heel vroeg: als het nog op schoot zit en naar de broche of de ringen van zijne moeder grijpt of even spelen mag met het horloge van zijn vader". Neen, zegt de doctor, dat mag niet, hij moet das Gold begegnen bei den goldenen Armspangen der Rebecca.

Nog een tweede voorbeeld van denzelfden Apostel der leer. In het derde jaar schrijft hij voor, dat de leerlingen „de waterkruik van Rebecca" moeten teekenen, niet maar een gewone, mooie waterkruik, maar die van Rebecca. Vraag nu niet, of Dr. Göpfert daar soms eene photographie van heeft. De onderwijzer zegt maar zoo, dat het die beroemde kruik is. En nu de grond voor deze nieuwe zonderlingheid „Was nicht interessiert, kann gar nicht bildend „einwirken Darum ist auch fiir das Zeichneti zunachst das „Interesse von den Personen und Sachen herüberzuleiten." Dit is eene goede redeneering voor een vader, die met zijn kind poppetjes teekent: „dat is je moeder, dat ben ik en dat ben jij." Maar een teekenonderwijzer zal met deze bron van belangstelling niet tevreden zijn. Hij zal die trachten te verkrijgen door twee andere middelen: 1°. door het

Sluiten