Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezet. Als wij dan ook in het straks aangehaalde bericht van den heer De Raaf lezen, dat de Rijnlandsche vereeniging het in hare eerstvolgende vergadering hebben zal over de ongepastheid van systematisch (in wetenschappelijken zin) onderwijs in de kennis der natuur op de lagere scholen, dan zijn wij zoo vrij, dit een al te oudbakken onderwerp te vinden. Daar is geen kweekeling in Nederland, die dat niet weet, dank zij den arbeid van Van der Ley en anderen, — al is helaas deze voorganger in de laatste jaren bezweken voor de verlokkingen — niet eens van eene „ethische" — maar van eene zeer materiëele, naar lijna en stijfsel riekende concentratiesirene, wier bedwelmende omhelzingen — ik zeg niet alle, maar toch veel goeds in zijn argeloos hart hebben verstikt. Moge hij als een andere Tannliauser zich nog eens aan die „klevende" armen weten te ontrukken!

Ook behoeven de Nederlandsche onderwijzers niet overtuigd te worden van de noodzakelijkheid om de kinderen niet maar wat te leeren, maar om ook het onderwijs te doen strekken tot moreele verheffing der jeugd. Doch met hunne voor de werkelijkheid geopende oogen hebben zij ook moeten erkennen, dat de schoolopvoeding in zake de zedelijke vorming niet alles vermag, en dat onder de middelen, waarover deze beschikt, de tucht, d. i. de macht van goede gewoonten en van verstandigen dwang, meestal verder reikt dan de invloed van het onderwijs. Toch wordt door hen die laatste invloed niet miskend. Vooreerst wordt de moreele verheffing al bevorderd, wanneer het onderwijs de leerlingen datgene verschaft, wat tot hun nut en genoegen kan dienen; dat op zich zelf voorkomt al veel slechtheid of wat daarop lijkt. En verder wordt het er hoe langer hoe meer op toegelegd, om zonder van te veel opzet te doen blijken, de ethische en aesthetische elementen in het onderwijs tot hun recht te

Sluiten