is toegevoegd aan uw favorieten.

Maria Monk, de zwarte non

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen, als lij bij haar verstand was." En JohaBna wist door vele middelen haar in dat geloof te versterken.

Wij werden eer.s aan tafel op cider onthaald, hetgeen een bewijs was van groote gunst. Johanna kreeg geen cider. Zij was traag geweest bij den arbeid. Dit maakt verstoord. Eenieren tijd daarna dronken wij dien drank weder; nu was hij zout. Dit gaf aanleiding dat velen van ons het zwijgen stoorden en dus straf erlangden. Johanna had haar oogmerk bereikt. Zij geen cider, wij ook niet; zij straf, wij ook.

Johanna had geen bepaalde slaapkamer. Als in het voorjaar het weer warm begon te worden, dan bracht zij haar bed kort bij het venster; werd het in het najaar koud, zij bracht het bij de kachel. Wij hebben haar deze vrijheid wel eens benijd.

Men gaf haar altoos werk, maar als zij er geen lust toe had verzon zij de een of andere grap, waarom de abdis of een oude non haar moest wegjagen. Als dan soms iemand beweerde, dat zij zeer goed haar versland had, zeide zij, dat zij zoo vele gebeden moest opzeggen, waardoor haar verstand werd gekrenkt.

Ik kreeg eens last om Johanta Ray te helpen in het opmaken der bedden der nonnen. Als wij aan de bedden kwamen van de zusters, die het meest iets tegen haar hadden, seide zij: „Nu zullen we haar eens de boeten vergelden, die wij om harentwille hebben moeten doen." Toen wierp zij eenige distels in het stroo. 's Avonds schreeuwde de eerste, die naar bed ging, het hardop uit. Zij bezeerde zich aan de distelen. „Gij hebt het zwijgen gestoord," riep de nachtwaakster, en legde haar een boete op. Daarop schreeuwde een tweede die de distelen gewaar weid, en een derde, er.z. De oude non gelastte nu allen, die het zwijgen hadden gestoord, haar bed te verlaten en voor dien nacht er onder te slapen, aan welk bevel zij gehoorzaam en zwijgend zich onderwierpen. Toen alles over en voorbij was, gingen Johanna en ik biechten bij een priester, die ons met een gemakkelijke boete vrijliet. .

De meeste tegenzin koes'er de Johanr.a tegen die nonnen, die nare gezellinnen verklapten, en vooral tegen haar, die het vertrouwen schonden. Van vele dier boosaardige „heiligen" had zij een afkeer. Zij speelde haar menige poets, die haar in de gevolgen smartelijk was. Veel daarvan is tot nog toe aan weinigen bekend. Van geen non had Johanna zulk een afkeer als van St. Hypolita Deze stond dan ook bij allen ia een slecht blaadje; zij had St. Francisca verraden en dus aanleiding gegeven tot moord. Johanna sprak dikwijls met mij over die • vermoedelijke verraderes en altoos in bittere uitdrukkingen.

Da abdis gaf dikwijls haar medelijden met den ongelukkigen toestand vaE Johanna te kennen, en toch kan ik niet zeggen, dat zij