Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar andere nonnen hoorde ik zeggen dat dit getal in dien tusschcntijd wel achttien of twintig bedroeg.

Een der gevolgen van uitputtiug van lichaam en geest was onze neiging om te spreken in den droom. Het was aardig en smartelijk tevens om te hooren hoe de nonnen in den loop van den nacht dikwijls hare gebeden opzeiden als over dag.

Nu en dan hadden wij vierdag. Dan waren wij vrij van den arbeid en van de dagelijksche gebedeD, behalve des morgens en des avonds, en behalve ook van de korte spreuken bij het kleppen van de klok. Wij brachten dus den meestcn tijd door met dammen en andere spelen, alsmede met gesprekken, doch waarin het verboden was ons vroeger leven en onze betrekkingen buiten het klooster aan te roeren. Somtijds evenwel werd ons spel afgebroken door de onverwachte komst van een priester, die het voorstel deed om zijn Maandag onder ons „heiligen" te vieren. Wij heiligen!!

Terwijl ik in het klooster was, stierven er op onderscheidene tijden nonnen; hoeveel kan ik niet zeggen, maar het getal was vrij aanzienlijk naar evenredigheid van ons aantal. Bestendig waren er nonnen op de ziekenzaal en dikwijls had er een begrafenis plaats in de kapel.

A!s er een zwarte non gestorven is, wordt het lijk gekleed als bij haar leven en op een bank, nabij het altaar geplaatst in een zittende houding, met een boek in de hand, alsof zij las. Dan wordt aan het volk vrije toegang gegeven en velen bidden daar een gebed voor de dooden.

De nonnen moeten gebeden opzeggen, cm de ziel harer gestorvene zuster uit het vagevuur te helpen, waarbij men haar steeds verzekert, dat als de ziel niet in het vagevuur is en dus die gebeden niet noodig heeft, deze daarom toch niet voor niet zijn, omdat zij dan den een of anderen vriend ten goede komen, of de zielen baten van diegenen, die op aarde geen vrienden meer hebben, welke voor hen bid.ien kunnen.

Het was een gewoonte om voor de doo ie non, welke daar zoo zat, te knielen en ik heb het dikwijls gedaan. Lang nog naderhand zweefde dan het spookachtig gezicht voor de oogen en mijn gevoel zeide mij, dat die kleeding voor een doode niet voegde.

De abdis verliet nu en dan het klooster en bleef dan gewoonlijk een paar uren uit, maar wij werden daarvan niets gewaar, vóór dat zij terugkeerde. Wij wisten ook niet waar zij geweest was. Ik vermoedde op zekeren tijd, dat zij op de boerenhofstede der priesters geweest was, ofschoon ik daarvoor geen bepaalden grond had. De landhoeve der priesters is een schoon pand dat aan het seminarium behoort, op gcringen afstand van de stad aan de Lachinestraat, met een aartsvaderlijk woonhuis. Ik was op den bedoelden d.ig in de

Sluiten