Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paralleltoonladders zijn dus een majeur- en een mineurtoonladder, die dezelfde voorteekening hebben; de grondtoon der mineur ligt een kleine terts lager dan die der majeur.

Om de voorteekening of den grondtoon van een mineurtoonladder te bepalen, heeft men nu slechts de parallelmajeurtoonladder te zoeken.

V oorbeelden:

Gevraagd: de voorteekening van g mineur.

g mineur is parallel met bes majeur (een kl. terts hooger), en heeft dus dezelfde voorteekening als deze, nl. 2 mollen.

Van fis mineur:

fis mineur is parallel met a majeur (een kl. terts hooger , en heeft dus dezelfde voorteekening als deze, n.1. 3 kruisen.

Gevraagd: de mineurtoonladder met 4 kruisen.

De jwa/ewrtoonladder met 4 kruisen is e. de mineur met 4 kruisen, haar parallel, ligt een kl. terts lager en is dus cis.

De mineurtoonladder met 3 mollen: De /Ho/eijrtoonladder met 3 mollen is es, de mineur met 3 mollen, haar parallel, ligt een kl. terts lager en is dus c.

123. Van een majeurtoonladder vindt men de parallel, door haar grondtoon een kleine terts te verlagen; van een mineurtoonladder moet men daarentegen den grondtoon een kleine terts verhoogen. Hieruit leiden we af:

In elke toonladder ligt de grondtoon van haar paralleltoonladder.

Bij de mineurtoonladder is dit zeer duidelijk: om haar parallel te vinden, moet men haar grondtoon een kleine

Sluiten