Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terts verhoogen, en daar de terts in de toonladder zelf klein is, kan men die nemen, en zeggen:

In elke niineurtoonladder ligt de grondtoon van haar parallel op den 3" toontrap.

Bij de majeurtoonladder moet men den grondtoon een kleine terts verlagen. Omdat de omkeering van een kleine terts een groote sext is (zie 102), kan men hem echter ook een groote sext verhoogen, en daar de groote sext in de toonladder zelf ligt, volgt hieruit:

In elke majeurtoonladder ligt de grondtoon van haar parallel op den 6" toontrap.

124. Bij wijze van kort overzicht zullen we nu nog op de 3 verschillende wijzen de voorteekening van een mineurtoonladder — f b.v.b. — bepalen.

a: Door middel van den quintencirkel.

In de rijzende quintenreeks komen alleen a. e en I» als stamtonen voor; we moeten dus de dalende reeks of die der toonladders met mollen hebben, en vinden dan: a. d, g, c, f; zoodat f, als vijfde, 4 mollen heeft.

|); Door de gelijknamige majeurtoonladder.

f majeur heeft 1 mol, f mineur 3 verlagingen meer, dus 4 mollen.

c: Door de paralleltoonladder.

f mineur is parallel met as majeur (den toon op haar ;{n toontrap) en heeft dus — als deze — 4 mollen.

Van de 3 wijzen verdient de tweede de voorkeur, omdat zij meteen de geheele toonladder geeft zie 121), terwijl men die bij 't toepassen der andere 2 nog moet samenstellen, 't Is echter goed, zich van alle drie te kunnen bedienen.

Sluiten